Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15290

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 oktober 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 9 juli 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 29 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 23 oktober 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €32.564,- voor de jaren 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2013 en 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 februari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2010, 2013, 2014, 2015 en 2018.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2010, 2013 en 2018 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €32.564,- voor de jaren 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2013 en 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 30 november 2023, ingekomen op diezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 23 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 9 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft hierop gereageerd in een e-mailbericht van 21 augustus 2025.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb inzagerecht in haar dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

UHT heeft gedurende deze procedure een bezwaardossier overgelegd en de bijbehorende producties. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende daarmee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Compensatie, toegewezen jaren

Compensatieberekening
UHT heeft in reactie op het bezwaar van belanghebbende de compensatieberekening nagerekend en vastgesteld dat de toeslagrente over gemiste KOT (component o in de compensatieberekening) onjuist is. Het juiste bedrag voor 2014 is €6.741,-, het toegekende bedrag is €6.751,-. Het juiste bedrag voor 2015 is €5.771,-, het toegekende bedrag is € 5.780,-. UHT verwijst naar de renteberekening in productie 2700101 en productie 2700102. Het bedrag in de compensatieberekening zal niet worden aangepast omdat deze fout in het voordeel van belanghebbende is.

Ten aanzien van de berekening van de immateriële schadevergoeding heeft UHT in haar beschouwing toegelicht dat de gehanteerde startdatum 23 juni 2015 onjuist is. De juiste datum is 29 juni 2015, nu dat de datum van de eerste (interne) vooringenomen handeling door B/T is. Omdat ook deze fout in het voordeel van belanghebbende is, wordt dit niet aangepast. Ten overvloede is opgemerkt dat het hanteren van de juiste data geen invloed heeft op de berekening van het aantal halve jaren en daarmee dus ook niet op het toegekende bedrag.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en stelt vast dat het bestreden besluit in zoverre niet wordt herroepen.

Afgewezen jaren 2010, 2013 en 2018

Belanghebbende meent dat (primair) sprake is van vooringenomen handelen, subsidiair dat sprake is van hardheid over de jaren 2010 en 2013 en dat zij gecompenseerd moet worden. Zij verwijst daarbij naar de fraudemelding in het dossier (onder meer pagina 537 bezwaardossier).

UHT heeft dat standpunt gemotiveerd weersproken. UHT bevestigt het bestaan van de fraudemelding, maar stelt dat belanghebbende alleen in aanmerking komt voor compensatie als het vermoeden van fraude aanleiding is geweest om te zoeken naar fouten. Dat is hier niet gebleken volgens UHT.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van diens aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.

In het bestreden besluit en het informatie- en beoordelingsformulier (productie 0200001 bezwaardossier, pagina 17 en volgende van het dossier) is voor de betrokken jaren uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden. De vraag die voorligt, gelet op het standpunt van belanghebbende, is of de neerwaartse correcties verband houden met of het gevolg zijn van de fraudemelding.

Uit de voorhanden zijnde stukken leidt de Commissie af dat over toeslagjaar 2010 de KOT driemaal neerwaarts is gecorrigeerd. De betreffende wijzigingen zijn reguliere wijzigingen, namelijk een verlaging van het aantal opvanguren en/of wijziging van de opvangkosten, door belanghebbende ingestuurde informatie zoals jaaropgaven, een wijziging van het toetsingsinkomen en informatie over betaalde kosten. B/T mocht op grond van die informatie overgaan tot correctie van de KOT. Uit de ter beschikking staande stukken en hetgeen hierover ter zitting en in de aanvullende beschouwing is toegelicht is de Commissie niet gebleken dat de fraudemelding een rol heeft gespeeld bij de correcties van de KOT. Er is dus geen aanleiding om te oordelen dat sprake is geweest van vooringenomen handelen jegens belanghebbende. Het beroep op hardheid kan evenmin slagen nu niet wordt voldaan aan de hardheidsgrens van ten minste €1.500,-.

Ten aanzien van toeslagjaar 2013 is gebleken dat de KOT eveneens driemaal neerwaarts is gecorrigeerd. De eerste neerwaartse correctie is het gevolg van een door belanghebbende doorgegeven wijziging (minder opvanguren). De tweede neerwaartse correctie is het gevolg van een tweetal wijzigingen, doorgegeven op
3 en 11 juni 2013 (pagina 1211 en 1212 bezwaardossier). Ter zitting en ook in de aanvullende schriftelijke beschouwing is geen duidelijkheid verschaft ten aanzien van de vraag van wie deze wijzigingen afkomstig zijn. De Commissie laat het antwoord op die vraag in het midden nu uit het dossier blijkt dat B/T naar aanleiding van die eerste wijziging van 3 juni 2013 bij brief van 10 juni 2013 (pagina 551 dossier) aan belanghebbende heeft gevraagd om informatie in te sturen. Aan dat verzoek heeft belanghebbende voldaan door het insturen van een antwoordformulier (pagina 557 bezwaardossier). B/T heeft vervolgens aan de hand daarvan de neerwaartse correctie hersteld (pagina 587 bezwaardossier).

De derde neerwaartse correctie van de KOT is eveneens gebaseerd op de door belanghebbende ingestuurde informatie.

Ook ten aanzien van toeslagjaar 2013 meent de Commissie dat in de hiervoor geschetste gang van zaken niet gebleken is dat het vermoeden van fraude enige rol heeft gespeeld bij de correcties van de KOT. Voor het stellen van vooringenomen handelen jegens belanghebbende is geen aanknopingspunt. Het beroep op hardheid kan evenmin slagen nu niet wordt voldaan aan de hardheidsgrens van ten minste €1.500,-.

Voor wat betreft toeslagjaar 2018 heeft gemachtigde ter zitting opgemerkt dat dat jaar niet in geschil is. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat zij de KOT heeft stopgezet in de zomer van 2018, omdat zij vanaf enig moment geen opvang meer nodig had. UHT heeft desgevraagd in haar aanvullende schriftelijke beschouwing antwoord gegeven op de vraag tot en met welke maand van het jaar 2018 opvang is afgenomen. UHT heeft geantwoord dat voor één kind opvang is afgenomen tot en met juni en voor het andere kind tot en met juli 2018.

Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010, 2013 en 2018 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.

De Commissie overweegt ten slotte dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. UHT heeft niet de bevoegdheid om tot herziening van de in het verleden vastgestelde KOT over te gaan. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat zij te weinig KOT heeft ontvangen, is de Commissie niet bevoegd om daarover te adviseren.

Niet herbeoordeelde jaren
Belanghebbende heeft aangevoerd, kort gezegd, dat zij vanaf 2007 opvang heeft afgenomen. Zij stelt dat de jaren 2012, 2016 en 2017 ten onrechte niet zijn meegenomen in de herbeoordeling.

De Commissie overweegt als volgt.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin B/T een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende zag op de jaren 2010, 2013, 2014, 2015 en 2018 en dat de beoordeling van die jaren in overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is gedaan (informatie- en beoordelingsformulier, pagina 19 bezwaardossier). In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft andere toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om andere toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de ter zitting gedane opmerking van de behandelend ambtenaar van UHT dat het verzoek tot herbeoordeling van de toeslagjaren 2012, 2016 en 2017 inmiddels is doorgezet naar de daarvoor verantwoordelijke afdeling. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren, is er geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter