BAC 2025-15282
Publicatiedatum 08-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 mei 2022 (UHT-DC I, UHT-DC I A en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 14 oktober 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 31 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie om het verzoek voor een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 3 mei 2022 met de kenmerken UHT-DC I, UHTDC I A en UHT-DH5 A.
UHT heeft in de beschikking met het kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van € 52.570 voor de toeslagjaren 2008 en 2009, omdat over deze periode fouten zijn gemaakt door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
In de beschikkingen met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A heeft UHT beslist dat belanghebbende geen recht heeft op een herstelregeling voor toeslagjaar 2010. De reden hiervoor is dat bij de beoordeling van de KOT voor deze periode geen fouten zijn gemaakt door B/T. Ook is niet gebleken dat er sprake is geweest van een te strenge uitvoering van de regels van de KOT.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 april 2020 verzocht om een herbeoordeling van de KOT.
- UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen heeft op 25 november 2021 een advies uitgebracht, waarin staat dat belanghebbende voor 2008 en 2009 recht heeft op compensatie en dat voor toeslagjaar 2010 geen recht is op compensatie.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 13 januari 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 51.574.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met het kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 52.570 voor de toeslagjaren 2008 en 2009.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met het kenmerk UHT-DC I A en UHTDH5 A besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 november 2023 bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 9 januari 2025 schriftelijk gereageerd het bezwaar.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 september 2025 het bezwaar aangevuld.
- Op 14 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 1 december 2025 een aanvullende beschouwing ingediend.
- Gemachtigde heeft op 19 december 2025 per mail gereageerd op de aanvullende beschouwing van UHT.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft dit bezwaar behandeld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over alle benodigde informatie om het bestreden besluit te kunnen controleren. Zij heeft namelijk niet de beschikking over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier.
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie en aanvullende beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De enkele stelling van gemachtigde dat het mogelijk is, omdat zij onbekend is met de stukken in dat dossier, nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt in het bezwaar dat de bestreden beschikkingen onvoldoende zijn gemotiveerd.
De Commissie kan UHT volgen ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikkingen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie constateert dat het LIC-overzicht van 2010 in het dossier ontbrak. Dit stuk is vervolgens bij de aanvullende beschouwing overgelegd door UHT. De Commissie is van mening dat met het indienen van een schriftelijke reactie en aanvullende beschouwing, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties de bestreden besluiten voldoende zijn onderbouwd en zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikking
Gemachtigde stelt dat er sprake is van vooringenomen handelen aangezien de definitieve KOT-beschikkingen zonder duidelijke redenen buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen; belanghebbende heeft gelet daarop recht op compensatie. De Commissie ziet in die omstandigheid onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts de mening van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De door gemachtigde gestelde omstandigheid kan, gelet op het hier toepasselijke regelgevende kader, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
Werkelijke schade
De Commissie overweegt dat de onderhavige bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard)vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is (onder meer) de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd. Gebleken is dat belanghebbende zich al tot CWS heeft gewend.
Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT zoals deze indertijd definitief zijn vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt echter buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de KOI-viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T mag uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist was. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaren 2005 tot en met 2007
Belanghebbende heeft tijdens de zitting aan UHT verzocht om de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 ook mee te nemen in de beoordeling.
UHT heeft in haar aanvullende beschouwing van 1 december 2025 de beoordeling van deze toeslagjaren uiteengezet en nader toegelicht waarom belanghebbende over deze periode geen recht heeft op compensatie.
De Commissie stelt vast dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de KOT over toeslagjaren 2005 en 2007 niet is verlaagd. Over 2006 is de KOT wel verlaagd.
De Commissie overweegt dat de KOT over 2006 is gecorrigeerd naar aanleiding van de door belanghebbende ingestuurde jaaropgave en een hoger toetsingsinkomen. Dit zijn reguliere bijstellingen.
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over deze periode was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft in het bezwaar geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie overweegt dat voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 belanghebbende geen recht heeft op compensatie op grond van een herstelregeling. Het bezwaar geeft geen aanknopingspunten om hier anders over te oordelen. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding gemiste KOT
De Commissie volgt het standpunt van UHT, zoals is uiteengezet in de schriftelijke reactie, dat de eerdere berekening met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT dient te worden aangepast in het voordeel van belanghebbende.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en de compensatie opnieuw te berekenen.
Immateriële schadevergoeding
Gelet op het voorgaande dient ook de immateriële schadevergoeding berekend te worden tot de datum van de beslissing op bezwaar.
Aanvullende vergoeding
De Commissie merkt op dat bovenstaande aanpassing tot gevolg heeft dat ook de aanvullende vergoeding van 1% dient te worden berekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.
Toeslagjaar 2009
Belanghebbende stelt dat dat de compensatieberekening over 2009 niet correct is. Zij stelt dat zij over heel 2009 opvang heeft afgenomen.
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 1 december 2025 op dit punt nader gereageerd. De Commissie acht de gegeven toelichting van UHT navolgbaar.
De Commissie stelt vast dat uit de stukken in het dossier is gebleken dat belanghebbende van 1 juni 2009 tot en met 30 oktober 2009 opvang heeft genoten. Derhalve heeft belanghebbende over deze periode recht op compensatie. Voor de overige maanden in 2009 is het niet aannemelijk geworden dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van geregistreerde opvang. Over deze periode is sprake van evident geen recht op KOT. Hierbij neemt de Commissie de jaaropgave en gegevens uit de KOI-viewer in overweging. Voor de compensatieberekening is het bedrag uit de voorschotbeschikking van 23 juli 2009 gehanteerd, namelijk € 6.220. Dit bedrag ziet op een ruimere periode, namelijk van 3 maart 2009 tot en met december 2009. De Commissie ziet in het bezwaar geen aanleiding om de compensatieberekening over 2009 aan te passen. De Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat zij over toeslagjaar 2010 recht heeft op compensatie. Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat zij de KOT over toeslagjaar 2010 niet heeft stopgezet.
De Commissie stelt vast dat uit de belmutatie in het dossier (pagina 267) blijkt dat de KOT op 14 januari 2010 is stopgezet met ingang van 1 januari 2010. In het bezwaar is geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat deze belmutatie niet correct is. De enkele mededeling van belanghebbende dat zij de KOT niet heeft stopgezet, is onvoldoende. Hierbij neemt de Commissie ook in aanmerking dat het BSN van belanghebbende in de belmutatie vermeld staat. Daarnaast is uit de stukken in het dossier niet gebleken dat gebruik is gemaakt van opvang over deze periode. Belanghebbende heeft haar stelling op dit punt niet nader onderbouwd.
Gelet op het voorgaande overweegt de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over toeslagjaar 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T. De terugvordering van de KOT is door UHT in de aanvullende beschouwing nader onderbouwd; zij blijkt doorgevoerd te zijn naar aanleiding van een reguliere wijziging, namelijk de stopzetting door belanghebbende.
De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Hierbij neemt de Commissie het LIC-overzicht over 2010 ook in aanmerking. In het bezwaar zijn geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen.
Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. Belanghebbende komt voor toeslagjaar 2010 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Immateriële schade
Belanghebbende stelt recht te hebben op een hogere vergoeding voor de immateriële schade en verzoekt om deze reden te wijken van de forfaitaire vergoeding van de immateriële schade die de Wht voorschrijft. Belanghebbende heeft veel meer schade geleden dan € 500 per halfjaar.
De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als dit buiten toepassing zou moeten blijven. Ook omdat de Wht ook voorziet in de mogelijkheid om vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade te vragen via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). Het betoog van gemachtigde op dit punt slaagt niet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
O/GS
De Commissie overweegt dat tijdens de hoorzitting het uitzoekwerk over de vaststelling van de O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft aangegeven dat zij de constatering dat geen sprake is van O/GS nader toegelicht wil hebben.
De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT enkel wordt verwezen naar productie 1300001in het dossier waarin slechts de vaststelling van O/GS te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. De Commissie onderschrijft het standpunt van gemachtigde op dit onderdeel, zoals is toegelicht in haar reactie van 19 december 2025.
Inmiddels is bij de Commissie bekend dat UHT een nadere toelichting kan geven op de systemen die voor de vaststelling van O/GS worden geraadpleegd. Het is begrijpelijk dat belanghebbende behoefte heeft aan deze toelichting.
De Commissie adviseert dat UHT in het besluit op bezwaar alsnog een duidelijke en begrijpelijke toelichting geeft over de wijze waarop de O/GS vaststelling heeft plaatsgevonden met voor zover van toepassing een verwijzing naar de hieraan ten grondslag liggende stukken.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn en het advies van de Commissie ertoe strekt om de primaire beschikking met kenmerk UHT-DC I te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor 2.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de compensatieberekening aan te passen op voornoemde punten;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter