BAC 2025-15268
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 september 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 17 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 27 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 44.938 voor het jaar 2010 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2011 In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling van het verzoek van belanghebbende beperkt tot de jaren 2010 en 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 21 augustus 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor het toeslagjaar 2011.
- UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2010 een compensatie toegekend van €44.938.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 oktober 2023, ingekomen op 24 oktober 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 19 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 17 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 24 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 5 augustus 2025 op gereageerd. Vervolgens heeft de Commissie op 12 augustus 2025 van UHT per e-mail een aanvullend standpunt ontvangen. Hierop heeft gemachtigde, daartoe door de Commissie uitgenodigd, niet gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet.
De schriftelijke beschouwing, de aanvullende beschouwing en de aanvullende reactie van UHT per e-mail van 12 augustus 2025, alsook de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onvoldoende gemotiveerd – ontbreken van stukken – equality of arms
Met de door UHT na de indiening van het bezwaar van belanghebbende ingediende beschouwing, de bij deze beschouwing overgelegde stukken en de na de hoorzitting ingediende nadere schriftelijke reactie is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan. Dit geldt ook voor de onderbouwing van de aan belanghebbende toegekende compensatie, nu dit compensatiebedrag door UHT is nagerekend en van verdere uitleg is voorzien.
Automatische continuering
Belanghebbende stelt dat de wijze waarop de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) is omgegaan met de automatische continuering van de KOT onzorgvuldig is. Hij stelt daarbij dat onvoldoende waarborgen in het systeem zijn ingebouwd, waardoor betalingsproblemen hebben kunnen ontstaan bij terugvorderingen over eerdere toeslagjaren.
De Commissie overweegt dat het automatisch continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awr) wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of de B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoer gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
HOTHOR
In zijn bezwaarschrift brengt belanghebbende naar voren dat in zijn geval op 30 september 2010 het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico - is afgegeven. Dit brengt volgens belanghebbende met zich mee dat er sprake is geweest van vooringenomenheid.
Het kenmerk HOTHOR (hoge toeslag/hoog risico) wordt, aldus UHT, automatisch toegevoegd in situaties waarin sprake is van een laag inkomen, waardoor recht ontstaat op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk heeft tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvindt. Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord. Aanwijzingen dat die vraag in het geval van belanghebbende in laatstbedoelde zin moet worden beantwoord zijn, geplaatst tegen de achtergrond van de andere feiten en omstandigheden, onvoldoende aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Het toeslagjaar 2011
Belanghebbende meent dat hij in aanmerking komt voor compensatie omdat hij met betrekking tot het toeslagjaar 2012 vooringenomen door de B/T is behandeld.
De Commissie stelt vast dat tussen partijen inmiddels vaststaat dat belanghebbende in 2011 een bijstandsuitkering heeft genoten en een re-integratietraject heeft gevolgd. Ook zijn partner genoot een bijstandsuitkering. Na afloop van het re-integratietraject is belanghebbende per 1 februari 2012 in dienst getreden bij [naam werkgever]. Er zijn geen gegevens beschikbaar waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende en zijn partner destijds gekwalificeerde kinderopvang hebben afgenomen. De B/T heeft belanghebbende in 2011, voordat de B/T het voorschot KOT dat aan belanghebbende was toegekend op 4 april 2011 op nihil stelde, niet in de gelegenheid gesteld stukken aan te leveren om zijn recht op KOT aan te tonen. Tussen partijen staat vast dat dit betekent dat belanghebbende daarmee vooringenomen is behandeld. Aldus rijst de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in het jaar 2011 nu belanghebbende niet heeft aangetoond dat zijn partner in 2011 ook heeft gewerkt en zij gekwalificeerde kinderopvang hebben afgenomen in 2011. De Commissie werpt belanghebbende niet tegen dat hij niet heeft aangetoond dat er gekwalificeerde kinderopvang werd afgenomen. Nu belanghebbende hierover door B/T in 2011 niet is bevraagd en gezien het lange tijdsverloop begrijpt de Commissie dat belanghebbende op dit punt in bewijsnood zou kunnen verkeren. Belanghebbende heeft evenwel ook de juistheid van het standpunt van UHT, dat niet is aangetoond dat de partner van belanghebbende in 2011 een re-integratietraject heeft gevolgd, niet bestreden. Hieruit kan worden afgeleid dat de partner van belanghebbende beschikbaar was voor de zorg voor de kinderen van belanghebbende. Tegen die achtergrond kan de Commissie de conclusie van UHT dat belanghebbende evident geen recht had op KOT, volgen en ziet zij geen aanleiding UHT te adviseren belanghebbende op grond van vooringenomenheid te compenseren voor het toeslagjaar 2011. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in dergelijke, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het jaar 2011 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter