BAC 2025-15266
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 september 2023 met kenmerk UHT-DCHO
Hoorzitting: 19 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 30 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de stopzetting van de KOT over de toeslagjaren 2012 en 2013 en de componenten o, n en p van de compensatie-berekening. Het bezwaar dient voor het overige ongegrond verklaard te worden. Ook adviseert de Commissie het bestreden besluit te herzien met inachtneming van dit advies en om het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het op 13 september 2023 door UHT genomen besluit met kenmerk UHT-DCHO.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie vanwege vooringenomenheid toegekend voor een bedrag van € 61.151 voor de toeslagjaren 2007, 2008 en januari tot en met juni 2010 en een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 6.505 voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012.
- Bij besluit van 8 mei 2021 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- Op 17 maart 2023 stelt belanghebbende UHT in gebreke.
- Bij brief van 18 juli 2023 met kenmerk UHT-VCH heeft UHT aan belanghebbende een voorlopige vergoeding toegekend voor een bedrag van € 60.886. Omdat belanghebbende al € 30.000 had ontvangen, krijgt zij een aanvullend bedrag van € 30.886.
- Bij besluit van 13 september 2023 met kenmerk UHT-DCHO heeft UHT aan belanghebbende een compensatie wegens vooringenomenheid voor de toeslagjaren 2007, 2008 en januari tot en met juni 2010 voor een bedrag van
€ 61.151 en een tegemoetkoming O/GS voor een bedrag van € 6.505 voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 toegekend. - Gemachtigde heeft bij brief van 19 oktober 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- Op 12 december 2023 heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor aanvullende schadevergoeding.
- UHT heeft op 24 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 19 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Compleetheid dossier en motivering besluiten
Belanghebbende stelt dat de onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit van 13 september 2023 ontbreken. Derhalve is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 2 april 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen en daarvan gebruik gemaakt om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Toeslagjaren 2012 en 2013
Belanghebbende stelt dat het niet duidelijk is op welk bedrag de KOT over de toeslagjaren 2012 en 2013 is vastgesteld. UHT heeft in haar beschouwing van
24 december 2024 de nihilstellingen van de toeslagjaren 2012 en 2013 toegelicht aan de hand van door belanghebbende op 4 maart 2013 doorgevoerde stopzetting per 1 januari 2012. Ter zitting heeft belanghebbende echter deze stopzetting betwist.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T of van hardheid van het stelsel. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid.
De Commissie overweegt dat uit het dossier blijkt dat op 4 maart 2013 een melding is geregistreerd waarbij belanghebbende telefonisch de KOT vanaf
1 januari 2012 zou hebben willen stopzetten. Normaliter zou B/T mogen uitgaan van de gegevens die zij op dat moment voor handen had en hoefde zij niet te twijfelen aan de inhoud van de melding.
Echter, gezien de omstandigheden waarin belanghebbende zich op het moment van het telefoongesprek bevond, had naar het oordeel van de Commissie niet kunnen worden verwacht van belanghebbende dat zij volledig op de hoogte was van de gevolgen van de stopzetting per 1 januari 2012. Immers, belanghebbende had op het moment van het telefoongesprek te maken met beslaglegging, schulden, spanningen binnen het gezin en stress. Bovendien blijkt uit de KOI-viewer dat zij in dat jaar wel van opvang gebruik heeft gemaakt. B/T heeft nagelaten om tijdig bij belanghebbende na te vragen of zij inderdaad de KOT van meer dan een jaar geleden had willen stopzetten, nog daargelaten op wiens initiatief dat is geschied. De Commissie is van oordeel dat in de onderhavige situatie van B/T een meer responsieve houding had mogen worden verwacht. Derhalve is de Commissie van oordeel dat vanwege de bovengenoemde bijzondere omstandigheden belanghebbende een tegemoetkoming toegekend dient te worden op grond van hardheid voor wat betreft de toeslagjaren 2012 en 2013.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.
Juistheid compensatieberekening
Belanghebbende voert aan dat de compensatieberekening onjuist is omdat onder component d (de bij belanghebbende in rekening gebrachte toeslagrente) voor alle toeslagjaren op nihil is gesteld, terwijl belanghebbende onder component i (betaalde invorderingskosten en invorderingsrente) rente en kosten zou hebben betaald. Ook stelt belanghebbende dat de componenten n (vergoeding voor immateriële schade) en o (de rentevergoeding voor gemiste KOT) niet te controleren zijn zonder nadere toelichting van B/T.
De Commissie overweegt dat de componenten d en i voldoende zijn verduidelijkt door UHT.
Ten aanzien van rentevergoeding over gemiste KOT (component o in de compensatieberekening) overweegt de Commissie als volgt. Op grond van artikel 2.2, aanhef onder g, Wht wordt rente vergoed over het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de KOT of het beëindigen van de voorschotverlening van KOT. De rente wordt volgens artikel 2.3, lid 7, Wht berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Op grond van artikel 27 Awir wordt de rente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de datum van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, tot herziening van de tegemoetkoming of tot herziening van de terugvordering.
UHT is van opvatting dat de einddatum van de rentevergoeding over gemiste KOT onjuist is. De rentevergoeding wordt aangepast voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2010. De Commissie onderschrijft het oordeel van UHT dat het bezwaar op dit punt gegrond verklaard dient te worden.
Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade (component n van de compensatieberekening) stelt belanghebbende dat de aanvangsdatum van de schadevergoeding niet te controleren is. Echter, UHT is van mening dat zowel de aanvangs- als de einddatum onjuist zijn vastgesteld. De aanvangsdatum wordt niet aangepast, omdat dit ten nadele van belanghebbende zou uitvallen, maar de einddatum wordt wel aangepast. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en overweegt dat aangezien component o onjuist is berekend, de periode waarover de forfaitaire vergoeding van immateriële schade wordt berekend dient door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. Ook wijzigt de aanvullende vergoeding van één procent van het subtotaal (component p), zoals UHT bevestigt in de schriftelijke reactie.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gegrond is en leidt tot herroeping van het bestreden besluit, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2012 en 2013 en de componenten o, n en p van de compensatieberekening;
- het bestreden besluit op de hierboven genoemde punten te herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter