BAC 2025-15252
Publicatiedatum 31-03-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 26 maart 2020 (T-CDR CAF 11 CB 2), 2 februari 2022 (UHT-B ADJ) en 5 februari 2024 (UHT-DCH CAF 11)
Hoorzitting: 18 juni 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 14 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 26 maart 2020, 2 februari 2022 en 5 februari 2024.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) bij de bestreden beschikking van 26 maart 2020 een compensatie toegekend voor een bedrag van €13.861,- voor de jaren 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012 en 2015 tot en met 2019. Bij bestreden beschikking van 2 februari 2022 is aan belanghebbende medegedeeld dat hij recht heeft op een bedrag van €30.000,- uit hoofde van de “Catshuisregeling”. Ten slotte is bij bestreden beschikking van 5 februari 2024 het definitieve compensatiebedrag herzien en vastgesteld op €19.186,-. Omdat aan belanghebbende al een bedrag van €30.000,- is betaald, volgt geen nabetaling.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2019.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 26 maart 2020 met kenmerk T-CDR CAF 11 CB 2 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €13.861,- voor de jaren 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012 en 2015 tot en met 2019.
- Bij bestreden beschikking van 2 februari 2022 is aan belanghebbende medegedeeld dat hij recht heeft op een bedrag van €30.000,- (de “Catshuisregeling”). Dat bedrag is aan belanghebbende betaald.
- Bij de bestreden beschikking van 5 februari 2024 is het definitieve compensatiebedrag herzien en berekend op €19.186,-. Omdat aan belanghebbende al een bedrag van €30.000,- was betaald, is er geen nabetaling gevolgd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 maart 2024, ingekomen op 28 maart 2024, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 mei 2024 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 10 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 18 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 26 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar in een e-mailbericht van 29 augustus 2025 op gereageerd.
- De Commissie heeft vervolgens in een e-mailbericht van 29 oktober 2025 aan gemachtigde verzocht om schriftelijk antwoord te geven op een nog openstaande vraag. Ondanks een rappel daartoe is van gemachtigde geen reactie ontvangen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Motivering bestreden besluit / persoonlijk dossier/ equality of arms
Belanghebbende voert aan dat de bestreden beschikkingen onvoldoende zijn gemotiveerd. Belanghebbende voert verder aan dat UHT in strijd met het beginsel van “equality of arms” handelt. In zijn ogen wordt hij in zijn procesbelang geschaad omdat hij niet beschikt over het volledige, persoonlijk dossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten. In het ouderdossier waarover belanghebbende beschikt ontbreekt belangrijke informatie.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van belanghebbende dat de motivering van de bestreden beschikkingen onvolledig moet worden geacht. De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing heeft ingediend, waarin zij een uitgebreide aanvullende uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: “LIC”) en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie zijn de bestreden beschikkingen hiermee thans in ieder geval voldoende gemotiveerd onderbouwd.
De Commissie overweegt voorts dat de schriftelijke beschouwing en het bezwaardossier op 25 maart 2025 aan gemachtigde zijn gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikkingen en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en van UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor (de beoordeling van) de door UHT genomen besluiten. Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dus niet tot het door hem gewenste doel leiden.
Compensatie: toegewezen jaren
Compensatieberekening
UHT heeft in reactie op het verzoek van gemachtigde ter zitting de toeslagrente over gemiste KOT (component o in de compensatieberekening) nagerekend en vastgesteld dat dat het desbetreffende bedrag onjuist is. Over 2013 was het bedrag €3.743,-, het juiste bedrag is €6.423,-. Over 2014 was het bedrag €2.914,-, het juiste bedrag is €5.441,-. Nu het bezwaar van belanghebbende om deze reden deels gegrond is, dienen de immateriële schade (component n) en de 1%-vergoeding over het totaal (component p) te worden aangepast.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH CAF 11 gedeeltelijk gegrond te verklaren en de compensatieberekening aan te passen zoals hiervoor is omschreven.
Startdatum immateriële schadevergoeding
Belanghebbende meent verder dat hij zonder de onderliggende stukken de door UHT gehanteerde startdatum bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade niet kan controleren.
UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing met verwijzing naar de compensatieberekening toegelicht dat zij is uitgegaan van de startdatum van 18 juni 2014, zijnde de datum van de ambtshalve stopzetting van de KOT. De Commissie heeft op grond van de voorhanden zijnde stukken geen aanknopingspunten gevonden aan de juistheid hiervan te twijfelen. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.
Afgewezen jaren
Ten aanzien van de jaren waarover compensatie is afgewezen heeft belanghebbende diverse bezwaren aangevoerd die hierna achtereenvolgens zullen worden besproken.
Wijziging uurtarief toeslagjaar 2010
Gemachtigde heeft ter zitting als bezwaar opgeworpen dat B/T over toeslagjaar 2010 het gehanteerde uurtarief voor de opvang heeft verlaagd en daarna weer heeft gecorrigeerd (verhoogd). Gemachtigde meent dat deze handelwijze vooringenomen is nu het erop lijkt dat B/T deze tariefsverlaging uit eigener beweging heeft doorgevoerd.
De Commissie overweegt dat UHT in haar aanvullende schriftelijke beschouwing een toelichting heeft gegeven op de wijziging van het uurtarief. De Commissie meent dat hiermee een afdoende uitleg is gegeven voor de wijziging van het uurtarief en dat van vooringenomen handelen niet is gebleken. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.
Brede uitvraag in meerdere toeslagjaren
Gemachtigde heeft ter zitting ten aanzien van meerdere jaren als bezwaar opgeworpen dat sprake is geweest van een ‘brede uitvraag’ bij belanghebbende en dat B/T hiermee vooringenomen heeft gehandeld. B/T vraagt voortdurend om informatie bij belanghebbende, ook als hij al informatie heeft opgestuurd. Belanghebbende heeft benadrukt dat hij ‘last heeft ondervonden’ van een herhaaldelijk verzoek om informatie van B/T over verschillende toeslagjaren.
De Commissie heeft echter geen aanknopingspunten in de voorhanden zijnde stukken gevonden die duiden op een brede uitvraag. Het hoort tot de taak van B/T om het recht op KOT vast te stellen en daarbij kan het noodzakelijk zijn om de nodige stukken en informatie bij belanghebbende op te vragen. Daar komt bij dat belanghebbende niet heeft gesteld, laat staan heeft onderbouwd dat hij enige schade zou hebben geleden als gevolg van het feit dat B/T herhaaldelijk stukken bij hem heeft opgevraagd. Van een brede uitvraag die leidt tot vooringenomen handelen is dan ook niet gebleken.
Dit bezwaar kan daarom niet slagen.
Niet automatisch continueren KOT over toeslagjaar 2015
Belanghebbende meent voorts dat de KOT over 2015 ten onrechte niet automatisch is gecontinueerd. Het eerste voorschot over 2015 is pas uitbetaald in april 2015. Deze handelwijze van B/T is volgens belanghebbende vooringenomen.
De Commissie overweegt het navolgende en stelt daarbij voorop dat UHT niet heeft weersproken dat de KOT over het jaar 2015 normaliter in de maand december 2014 automatisch gecontinueerd had moeten worden. Dat is in dit geval niet gebeurd. Een verklaring daarvoor heeft UHT ook nadat de Commissie daarnaar heeft gevraagd op de hoorzitting niet kunnen geven. De Commissie heeft voor het niet automatisch continueren ook geen plausibele verklaring of aanleiding kunnen vinden in de dossierstukken.
Volgens het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek (paragraaf 3.1.6.) is het feit dat de KOT niet automatisch wordt gecontinueerd - zoals hier aan de orde – op zichzelf geen vooringenomen handeling. Afhankelijk van de omstandigheden kan het niet automatisch continueren wel tot vooringenomenheid leiden. Het is hierbij van belang wat de reden is van het niet automatisch continueren. B/T moet zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de aanvraag. Uit dat onderzoek moet zijn gebleken dat er het volgende jaar naar alle waarschijnlijkheid geen recht bestaat op KOT. Daarnaast moet de ouder op de juiste manier zijn geïnformeerd over het niet automatisch continueren (artikel 15, vijfde en zesde lid, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). Dit betekent dat ouder schriftelijk, per brief, op de hoogte moet zijn gesteld van het niet continueren. In deze beëindigingsbrief moet tevens staan per wanneer en voor welke toeslag de aanvraag wordt beëindigd én dat de aanvrager een nieuwe aanvraag moet indienen als hij denkt wél recht te hebben. Indien B/T niet heeft voldaan aan deze vereisten (zorgvuldig onderzoek en beëindigingsbrief), is ouder onvoldoende in de gelegenheid gesteld om de KOT alsnog op tijd aan te vragen. Wanneer dit het geval is, is in beginsel sprake van vooringenomen handelen. Echter, als er geen schade is, dan is er ook geen recht op compensatie (ingevolge artikel 2.1 aanhef Wht).
Gegeven dit beleidskader van UHT constateert de Commissie dat B/T niet heeft voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten, kort gezegd, het doen van zorgvuldig onderzoek én het schriftelijk, per brief, informeren van belanghebbende over het niet automatisch continueren van de KOT voor het jaar 2015. Bovendien is ook geen plausibele verklaring gegeven voor het niet automatisch continueren. Dat betekent dat B/T jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. Dat de KOT zoals UHT ter zitting heeft gesteld in april 2015 alsnog is uitbetaald en daarna de maandelijkse KOT-betalingen zijn hervat, maakt de voorgaande conclusie niet anders.
Schade
De tweede vraag die voorligt is of belanghebbende als gevolg hiervan schade heeft geleden. Immers, als hiervoor al gezegd, als er geen schade is, heeft belanghebbende evenmin recht op compensatie. De Commissie heeft in dat verband aan gemachtigde in een e-mailbericht van 29 oktober 2025 verzocht om zich nader schriftelijk uit te laten over de aard en omvang van de door belanghebbende geleden schade ten gevolge van het niet automatisch continueren van de KOT over het jaar 2015. Van gemachtigde is, ook na een rappel daartoe, geen reactie ontvangen.
Bij deze stand van zaken komt de Commissie tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende schade heeft geleden als gevolg van het vooringenomen handelen van B/T. In dat geval is compensatie niet aan de orde.
Toeslagjaar 2019, onderbouwing stopzetting
Ten aanzien van toeslagjaar 2019 heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat hij verzocht heeft om een onderbouwing van de gestelde stopzetting per 31 augustus 2019 (“burger zet toeslag stop”, pagina 1474 ouderdossier). Belanghebbende kan zich niet herinneren dat hij de KOT destijds heeft stopgezet.
UHT heeft desgevraagd bij haar aanvullende schriftelijke beschouwing een bijlage gevoegd, zijnde het Xml-bestand waaruit de stopzetting blijkt. De Commissie stelt vast dat in dit bestand is vermeld dat de stopzetting is gedaan op 1 oktober 2019 via het zogeheten ‘burgerportaal’ en dat het burgerservicenummer (hierna: bsn) van belanghebbende is ingevuld. Daarmee is naar het oordeel van de Commissie voldoende onderbouwd dat deze stopzetting van de KOT door belanghebbende is gedaan.
Het bezwaar op dit onderdeel kan daarom niet slagen.
Overige bezwaren
Verzoek om ontbrekende informatie ouderdossier
Belanghebbende stelt dat in het ouderdossier cruciale informatie ontbreekt. Belanghebbende verzoekt om inzicht te geven in het resultaat van een zoekvraag met zijn bsn in het “Workspace Desktop Edition”-systeem (WDE-systeem). Daarnaast verzoekt hij het resultaat te geven in het zoekresultaat in 100 netwerkschijven bij B/T.
De Commissie merkt op dat het verzoek van belanghebbende om inzage te geven in de hiervoor genoemde stukken buiten het bestek van de Wht valt en daarmee ook buiten de bevoegdheid van de Commissie. Zoals door UHT al terecht is opgemerkt in de schriftelijke beschouwing in reactie op deze bezwaargrond, kan belanghebbende deze informatie opvragen door het indienen van een WOO-verzoek. Deze bezwaargrond treft om deze reden geen doel.
Verschillende formats compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat UHT tenminste vier verschillende methoden van berekening van de compensatie hanteert. Meer concreet voert belanghebbende aan dat na component c een component ontbreekt, zijnde ‘in rekening gebrachte rente die u moet betalen’.
De Commissie stelt vast dat UHT in de schriftelijke reactie heeft toegelicht dat de compensatieberekening juist is. De Commissie stelt voorts vast dat zowel het verouderde format als het format waarvan UHT thans gebruik maakt alle componenten bevatten die ingevolge het bepaalde in de Wht voor compensatie in aanmerking komen. In de beslissing op bezwaar wordt de compensatie berekend volgens het nieuwe format.
De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat het compensatiebedrag niet zou kloppen of anderszins onzorgvuldig zou zijn, enkel vanwege het gebruik door UHT van een ander berekeningsformat. Deze bezwaargrond kan daarom niet slagen.
Betaling vergoeding op rekening van ex-partner
Belanghebbende stelt verder dat de compensatie die aan hem is toegekend ten onrechte is uitbetaald op de bankrekening van zijn ex-partner.
De Commissie overweegt het navolgende.
De vraag die kennelijk voorligt, zo begrijpt althans de Commissie, is of UHT bevrijdend heeft betaald nu de vergoeding op grond van de Catshuisregeling door UHT naar het rekeningnummer van de ex-partner van belanghebbende is overgeboekt.
De Commissie is evenwel niet bevoegd om hierover te adviseren. Nu belanghebbende ter zitting heeft aangegeven dat hij herhaaldelijk heeft gesproken (gebeld) met B/T en/of UHT over de tenaamstelling van de desbetreffende rekening, adviseert de Commissie UHT om na te gaan hoe een en ander is gegaan zodat aan belanghebbende hierover duidelijkheid kan worden verschaft.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Volgens artikel 7:15 Awb worden proceskosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is herroeping in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb aan de orde als het primaire besluit wordt gewijzigd ten aanzien van het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening in dit geval heeft niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde €30.000,-. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en rekening houdend met het systeem van de Wht, van oordeel dat het gaat om een wijziging van het rechtsgevolg.
Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH CAF 11 gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- de compensatieberekening als volgt aan te passen:
- de toeslagrente over gemiste KOT vast te tellen op €6.423,- (2013) en €5.441,- (2014);
- de einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beschikking op bezwaar;
- de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee tegen het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter