BAC 2025-15245
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH
Hoorzitting: 1 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 9 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking van 30 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.191 voor de toeslagjaren 2018 en voor de maanden januari tot en met juli en september tot en met december 2019. Er is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend over toeslagjaar 2017 en de maand augustus 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2018 en 2019. UHT heeft de herbeoordeling uitgebreid met toeslagjaar 2017.
- Bij beschikking van 13 november 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een voorlopig compensatiebedrag van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende het toeslagjaar 2017 en de maand augustus van het toeslagjaar 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Voor het toeslagjaar 2018 en de maanden januari tot en met juli 2019 en september tot en met december 2019 is wel sprake geweest van institutionele vooringenomenheid.
- Bij brief van 3 oktober 2023 met kenmerk UHT-VCH heeft UHT aan belanghebbende over de toeslagjaren 2018 en 2019 een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.028. Omdat belanghebbende reeds een bedrag van € 30.000 had ontvangen, heeft geen nabetaling plaatsgevonden.
- Bij beschikking van 30 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH heeft UHT aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van € 29.191 wegens vooringenomenheid over het toeslagjaar 2018 en de maanden januari tot en met juli en september tot en met december 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 november 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 9 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 1 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft op 7 mei 2025, daartoe door de Commissie verzocht, het XML-bestand behorend bij de stopzetting van de KOT, per 1 januari 2017, overgelegd. Daarnaast heeft UHT de Commissie geïnformeerd dat belanghebbende voor een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) in aanmerking komt.
- De Commissie heeft gemachtigde op 12 mei 2025 om een reactie op het bericht van UHT verzocht.
- Gemachtigde heeft de Commissie op 15 juli 2025 geïnformeerd dat UHT op
10 juli 2025 een VSO naar belanghebbende heeft gestuurd. - UHT heeft de Commissie op 25 augustus 2025 geïnformeerd dat de VSO niet getekend is door belanghebbende.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motivering/persoonlijk dossier/equality of arms
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat zij niet beschikt over haar persoonlijk dossier. Hierdoor kan zij de juistheid van de beschikking niet controleren.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn op 3 maart 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd.
Nu UHT voldaan heeft aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en belanghebbende de gelegenheid heeft gekregen haar standpunt uiteen te zetten, is het recht op een eerlijk proces niet geschonden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Renteberekening
Belanghebbende stelt dat de bij haar in rekening gebrachte toeslagrente (component d) in de compensatieberekening in alle jaren ten onrechte op nihil is gesteld, terwijl belanghebbende wel rente en kosten heeft betaald. De Commissie overweegt als volgt. Uit de zich in het dossier bevindende Sas overzichten over 2017 en 2018 volgt dat belanghebbende over die jaren geen heffingsrente in rekening is gebracht. Component d is over die jaren dus terecht op nihil gesteld. De Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Automatische continuatie
Belanghebbende stelt dat de wijze waarop de Belastingdienst/Toeslagen (Hierna: B/T) om is gegaan met de automatische continuatie van de KOT onzorgvuldig is. Zij stelt dat onvoldoende waarborgen in het systeem zijn ingebouwd, waardoor betalingsproblemen hebben kunnen ontstaan bij terugvorderingen over eerdere toeslagjaren. Dit was het geval bij belanghebbende over de toeslagjaren 2017 tot en met 2019. Volgens belanghebbende had van B/T verwacht mogen worden dat de KOT alleen automatisch verlengd werd als daarvoor aanwijzingen waren in de KOI-viewer en dat deze gegevens als basis hadden moeten dienen voor de berekening van het voorschot. De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt derhalve automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T is stopgezet of gewijzigd.
Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoer gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling toeslagjaar 2017
Belanghebbende stelt dat zij ook voor toeslagjaar 2017 gecompenseerd moet worden omdat de KOT over dat jaar ten onrechte op nihil is gesteld. Belanghebbende zou door B/T zijn geadviseerd om de KOT voor één kinderopvanginstelling (hierna: KOI) stop te zetten, maar vervolgens heeft B/T de KOT voor beide KOI’s stopgezet. UHT betreurt het als er inderdaad verkeerde informatie door B/T met betrekking tot de stopzetting aan belanghebbende is verstrekt, maar voegt daaraan toe dat er in dat geval geen sprake is van vooringenomen handelen, maar van een misverstand.
De Commissie overweegt als volgt. In het toeslagjaar 2017 heeft één neerwaartse correctie plaatsgevonden naar aanleiding van een stopzetting van de KOT per
1 januari 2017. Vaststaat dat belanghebbende de KOT met ingang van genoemde datum zelf heeft stopgezet. Uit het XML-bestand blijkt niet op welke KOI de stopzetting betrekking had of dat het de bedoeling was dat er maar ten aanzien van een KOI stopzetting plaatsvond, waarna de KOT in zijn geheel, voor beide kinderopvanginstellingen is beëindigd.
Vervolgens is op 29 augustus 2017 opnieuw KOT voor één KOI aangevraagd per
1 september 2017 en is na een herzieningsprocedure de KOT over de periode
1 januari – 30 juni 2017 voor één KOI alsnog toegekend aan belanghebbende.
Zelfs al zou belanghebbende door B/T verkeerd geïnformeerd zijn, dan leidt dat in deze zaak niet tot de conclusie dat er vooringenomen is gehandeld door B/T. B/T mocht de opzegging van de KOT per 1 januari 2017 opvatten als betrekking hebbende op beide KOI’s nu er bij de opzegging niet is vermeld dat de opzegging maar op één KOI betrekking had. Er is evenmin sprake van hardheid van het stelsel. Belanghebbende heeft de KOT waarop zij recht had alsnog ontvangen,
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat de immateriële schade niet juist berekend is en de 1%-vergoeding ten gevolge hiervan ook niet klopt. UHT heeft in het kader van de bezwaarprocedure de compensatieberekening heroverwogen.
Vergoeding voor immateriële schade (component n)
Belanghebbende stelt dat dat de immateriële schadevergoeding dient te worden berekend vanaf 21 september 2017. De Commissie overweegt als volgt.
De vergoeding voor immateriële schade wordt berekend vanaf de dagtekening van de eerste beschikking, waarbij B/T de KOT heeft verminderd, niet heeft toegekend of heeft beëindigd, die het directe gevolg is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Het betoog van belanghebbende dat de vergoeding vanaf 21 september 2017 berekend zou moet worden, kan niet slagen nu, zoals hiervoor is overwogen, er ten aanzien van toeslagjaar 2017 geen sprake is geweest van vooringenomenheid door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat de juiste startdatum,
26 november 2018 is gehanteerd. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding over gemiste KOT (component o)
UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat de rentevergoeding over gemiste KOT over toeslagjaar 2018 niet correct is berekend. Er is een bedrag van
€ 2.969 in de compensatieberekening opgenomen, terwijl dit € 2.952 had moeten zijn. De rentevergoeding over het toeslagjaar 2019 is eveneens te hoog vastgesteld in de compensatieberekening. Het bedrag is ten onrechte vastgesteld op € 2.217. Het juiste bedrag is € 2.201. Nu de rentevergoeding over gemiste KOT onjuist is, maar in het voordeel van belanghebbende is berekend, adviseert de Commissie om de berekeningen van deze component ongewijzigd in stand te laten.
Aanvullende vergoeding van 1%
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat de aanvullende vergoeding van 1%
ook gewijzigd dient te worden. Nu, zoals uit het vooroverwogene volgt, het compensatiebedrag juist is vastgesteld adviseert de Commissie de berekening
van de aanvullende vergoeding van 1% in stand te laten.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, bestaat geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter