BAC 2024-15594
Publicatiedatum 06-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan:Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 september 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 13 augustus 2025
Overdracht advies aan UHT: 1 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Door belanghebbende is op 19 december 2023 een bezwaarschrift ingediend gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) van 6 november 2023. Inzake de behandeling van dat bezwaarschrift heeft op 8 januari 2025 een hoorzitting bij de Commissie plaatsgevonden.
Gelet op het standpunt van belanghebbende en haar toelichting die zij op de hoorzitting heeft gegeven, acht de Commissie het bezwaar mede gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 3 september 2024. Hierin is aan belanghebbende, met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 en 2006. Dit advies ziet daarom op het bezwaar tegen de beschikking van
3 september 2024.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 november 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 2 september 2021 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 72.320,-voor de jaren 2007 tot en met 2014.
- UHT heeft op 12 juni 2024 een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2005 en 2006 in gang gezet.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 augustus 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005 en 2006 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 en 2006.
- Op 8 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden ter behandeling van het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking van 6 november 2023 met kenmerk UHT-HD CWS. Van die hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- De Commissie heeft partijen op 9 januari 2025 bericht dat zij het bezwaar mede gericht acht tegen de beschikking van 3 september 2024 met kenmerk UHT-DCHOA en voornemens is daarover, hangende de CWS-procedure, advies uit te brengen.
- UHT heeft op 20 februari 2025 en 27 maart 2025 de stukken in het geding gebracht die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit.
- de gemachtigde heeft de gronden van het bewaar op 27 januari 2025 en op
17 april 2025 aangevuld. - UHT heeft op 8 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 13 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop op
9 september 2025 gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 en 2006 af te wijzen.
Toeslagjaar 2005
Belanghebbende stelt dat zij in aanmerking komt voor compensatie voor toeslagjaar 2005. Zij voert aan dat KOT-voorschotbetalingen zijn uitgebleven en dat er voor te weinig uren KOT is toegekend. Onder verwijzing naar een schuldenoverzicht van incassobureau DigiDeur Incasso, gedateerd 22 mei 2013, stelt zij dat haar eerste KOT-gerelateerde schuld door deze omstandigheden in 2005 is ontstaan.
De Commissie stelt op basis van het dossier het volgende vast. Bij beschikking van 29 november 2005 is de KOT vastgesteld op € 1.266,-. De uitbetaling van dit voorschot aan kinderopvanginstelling X heeft plaatsgevonden op 24 november 2005 en 12 december 2005 (productie 2700003).
Bij beschikking van 29 november 2007 is de KOT verlaagd, naar aanleiding van de gegevens in de door belanghebbende opgestuurde jaaropgave en van de door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) verwerkte informatie dat belanghebbende een bijdrage van de gemeente ontving ter hoogte van € 114,- per maand (productie 2700006). De KOT is vanwege die omstandigheden bepaald op een bedrag van € 544,-. Bij belanghebbende is daarom een bedrag van € 783,- teruggevorderd (productie 2700003). Bij definitieve beschikking van 15 januari 2008 is de KOT niet meer gewijzigd (productie 2700006).
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, die niet zijn betwist, ziet de Commissie geen aanknopingspunt om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2005 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is vanwege reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Hierbij wijst de Commissie er ter volledigheid op dat de KOT voor toeslagjaar 2005 maximaal 63,2% van de gemaakte opvangkosten bedroeg (Besluit tegemoetkoming kosten kinderopvang 2005).
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. Bovendien is niet voldaan aan het voor de hardheidscompensatie geldende vereiste dat de KOT met minstens € 1.500 is verlaagd of dat er minstens € 1.500,- is teruggevorderd.
Voor zover bij belanghebbende een schuld is ontstaan bij X ten aanzien van de kosten van opvang in 2005, meent de Commissie, alles afwegende, dat niet aannemelijk is geworden dat deze schuld is voortgekomen uit vooringenomen handelen door B/T of door hardheid van het stelsel.
Op basis van het betaal- en verrekenoverzicht van toeslagjaar 2005 (productie 2700003) en bij gebrek aan in een andere richting wijzende feiten of omstandigheden, acht de Commissie het bovendien niet aannemelijk dat er foutieve of onredelijk late betalingen hebben plaatsgevonden.
Toeslagjaar 2006
Belanghebbende stelt dat de in 2005 ontstane problemen hebben doorgewerkt in 2006. Om die reden is zij van mening dat zij ook voor toeslagjaar 2006 in aanmerking komt voor compensatie.
De Commissie leidt uit het dossier het volgende af. De aanvraag voor toeslagjaar 2005 is blijkens het feitenoverzicht van 2006 (productie 0200001, p. 12) niet automatisch verlengd naar het jaar 2006. Op 22 mei 2006 heeft belanghebbende gebeld met B/T omdat zij de maanden daarvoor nog geen toeslag had ontvangen. In een notitie hierover is opgemerkt: “mevrouw gaat zo snel mogelijk een aanvraag doen. Ze was er inmiddels achter dat nog geen aanvraag is binnen gekomen. Huur en zorg wel” (productie 1206001). B/T heeft vervolgens op 5 september 2006 een voorschotbeschikking afgegeven voor het volledige jaar 2006. Op 15 september 2006 wordt de KOT verlaagd wegens een stopzetting per 1 juni 2006. UHT geeft aan dat onduidelijk is door wie de stopzetting is doorgegeven. In het dossier bevindt zich een jaaropgave van X waaruit volgt dat belanghebbende in de periode januari tot en met mei 2006 opvang heeft afgenomen (productie 2700001). Daarom gaat UHT uit van een terechte stopzetting. Bij de laatste beschikking over 2006 van 20 september 2008 wordt de KOT niet meer gewijzigd.
De hiervoor geschetste gang van zaken sluit aan bij wat belanghebbende heeft verklaard over het uitblijven van betalingen aan de kinderopvanginstelling.
De Commissie ziet hierin echter geen aanleiding voor het oordeel dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2006 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Zij zal dat hieronder nader toelichten.
- Het niet automatisch continueren van de KOT in 2006
Nu uit de jaaropgave volgt dat belanghebbende in de periode januari tot en met mei 2006 kinderopvang heeft afgenomen (productie 270001), is aannemelijk dat het de bedoeling van belanghebbende was dat de door haar voor 2005 aangevraagde KOT ook in 2006 zou worden voortgezet. Kennelijk heeft belanghebbende pas na 22 mei 2006 een nieuwe aanvraag ingediend, nadat zij had begrepen dat haar aanvraag voor toeslagjaar 2006 ontbrak. De Commissie ziet in deze gang van zaken geen aanleiding om aan te nemen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld of dat sprake was van hardheid van het stelsel. In de overgang van toeslagjaar 2005 naar 2006 rustte op B/T namelijk nog geen verplichting om de KOT automatisch te continueren naar een volgend toeslagjaar. De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, waarin in artikel 15 is geregeld dat een aanvraag mede geacht wordt te zijn gedaan voor de toeslagjaren die volgen op het betreffende toeslagjaar, is pas van toepassing op de KOT(-aanvragen) vanaf toeslagjaar 2006.
- De verlaging van de KOT bij beschikking van 16 september 2006
Hoewel de Commissie meent dat geen volledig inzicht is gegeven in de behandeling van de KOT voor toeslagjaar 2006, vormt de jaaropgave over dat jaar een sterke indicatie dat bij de beschikking van 15 september 2006 sprake is geweest van een reguliere verlaging van de KOT op basis van informatie die bij B/T bekend was over de looptijd van de opvang bij X. Van opvang (elders) in de periode juni tot en met december 2006 is niet gebleken. Overigens volgt uit de jaaropgave van 2007 dat de opvang in dat jaar hervat wordt in augustus van dat jaar. De Commissie is op grond van deze feiten en omstandigheden van opvatting dat B/T de KOT voor 2006 op goede gronden heeft beperkt tot de periode januari – augustus en dat aldus niet aannemelijk is geworden dat B/T vooringenomen heeft gehandeld bij het afgeven van de beschikking van 16 september 2006.
- Brief persoonlijk zaakbehandelaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij gelet op de brief van 2 juni 2021 reeds is aangemerkt als gedupeerde over toeslagjaar 2006. Zij stelt dat zij in dit kader al een vergoeding heeft ontvangen.
De Commissie is van opvatting dat de inhoud van deze brief niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen wekken bij belanghebbende dat zij gedupeerde is over toeslagjaar 2006 en dat zij daarom in aanmerking komt voor compensatie over dit jaar. Op dat moment was enkel nog sprake van een herbeoordeling over de jaren 2007 tot en met 2014; er had nog geen onderzoek plaatsgevonden naar de KOT over het jaar 2006. Daarnaast wordt in deze brief niet gespecificeerd over welke jaren belanghebbende gedupeerde zou zijn, gelet op de volgende tekst: ‘U heeft zich gemeld voor de herbeoordeling van uw kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2014. Als persoonlijk zaakbehandelaar ben ik aangesteld om de herbeoordeling uit te voeren. Ik heb vastgesteld dat er bij u ten onrechte is gecorrigeerd en dat u zowel materieel als immaterieel ernstig gedupeerd bent door de belastingdienst toeslagen. Namens de belastingdienst bied ik u mijn excuses aan.’
Bovendien is niet gebleken dat belanghebbende al enig bedrag aan compensatie heeft ontvangen over toeslagjaar 2006. Belanghebbende heeft dit punt aangevoerd op de hoorzitting van 8 januari 2025. De Commissie leidt uit het bericht van gemachtigde van 27 januari 2025 af dat belanghebbende gedoeld heeft op de nabetaling van € 1.714,-, die volgt uit de beschikking van 2 september 2021 en ziet op toeslagjaren 2007 tot en met 2014 en derhalve niet op toeslagjaar 2006.
Alles afwegende adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Overweging ten overvloede
Belanghebbende heeft op de hoorzittingen bij de Commissie tot uitdrukking gebracht dat zij het idee heeft dat haar verhaal niet geloofd wordt ondanks dat zij dit telkens heeft herhaald en de bewijzen hiervoor aangeleverd. De Commissie twijfelt niet aan het verhaal van belanghebbende en herkent de door haar geschetste omstandigheden ook in de feiten zoals die zich in het dossier bevinden. Uit de stukken volgt ook dat er een schuld bij de kinderopvanginstelling is ontstaan. Dit is echter naar de opvatting van de Commissie niet het gevolg geweest van vooringenomen handelen door B/T en/of van hardheid van het wettelijk stelsel.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter