Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15498

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 november 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 14 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 7 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 16 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 16 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 en 2009. In haar zienswijze heeft de gemachtigde verzocht de jaren 2007, 2010 en 2011 te betrekken in de herbeoordeling. Deze jaren zijn meegenomen in de bestreden beschikking.
  • UHT heeft bij besluit van 23 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 december 2023, ingekomen op 18 december 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 5 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 oktober 2025, ingekomen op 2 oktober 2025, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 10 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op de aanvullende gronden van gemachtigde.
  • Op 14 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 november 2025 nadere stukken ingediend. UHT heeft daar op 8 december 2025 op gereageerd in haar aanvullende beschouwing.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal allereerst ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Onderliggende stukken;
  • Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel;
  • Artikel 6 EVRM ‘equality of arms’.

Onderliggende stukken

Belanghebbende verzoekt in het kader van deze bezwaarprocedure om inzage in de onderliggende stukken. Op grond van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen, verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken – waaronder het informatie- en beoordelingsformulier met tijdlijn, het SAS-rapport, de RKT-bestanden en de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) – in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking te stellen.

De Commissie stelt vast dat de gemachtigde en belanghebbende op 3 september 2025 in het bezit zijn gesteld van al deze op de zaak betrekking hebbende stukken. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking niet inzichtelijk is gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking op uitvoerige en draagkrachtige wijze heeft gemotiveerd. Met de beschouwing van 5 december 2024 en de aanvullende beschouwing van 10 oktober 2025 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van LIC-overzichten en het SAS-rapport en overige relevante stukken. Deze documenten maken onderdeel uit van de onderliggende stukken. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM ‘equality of arms’

De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ zoals genoemd in artikel 6 EVRM, geschonden zou zijn. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaren 2007 en 2008

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft gehandeld op basis van een onjuiste grondslag, nu de KOT is toegekend tot en met 30 december 2008. Uit zowel de KOI-viewer als de jaaropgave blijkt echter dat belanghebbende kinderopvang heeft afgenomen tot en met 31 december 2008. Omdat hierover geen navraag is gedaan, is belanghebbende van mening dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. UHT stelt zich op het standpunt dat uit de onderliggende stukken blijkt dat belanghebbende haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) heeft stopgezet per 31 december 2008. Hierdoor had zij recht op KOT tot en met 30 december 2008. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden om hieraan te twijfelen.

Voorts zag belanghebbende zich destijds genoodzaakt een onderhandse lening af te sluiten bij haar grootvader, omdat zij de door B/T aangeboden betalingsregeling van € 300 per maand niet kon betalen. Deze lening is vervolgens aangewend om het volledige openstaande bedrag rechtstreeks aan B/T te voldoen. Betaling via haar eigen bankrekening was vanwege haar bijstandsuitkering niet mogelijk, want dan zou het gezien worden als inkomen. Gelet op deze omstandigheden is belanghebbende van mening dat zij recht heeft op compensatie op grond van de hardheidsregeling, dan wel een tegemoetkoming op grond van Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS).

De Commissie heeft vastgesteld dat er geen onterechte kwalificatie O/GS was, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. Verder heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007 en 2008 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2007 en 2008 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2009

Uit de onderliggende stukken volgt dat de KOT in het toeslagjaar 2009 op nihil is gesteld, omdat belanghebbende niet op de verzoeken om informatie van B/T heeft gereageerd.

De vraagbrieven zijn niet terug te vinden in de systemen, waardoor het onzeker is of deze daadwerkelijk zijn verstuurd. UHT stelt zich op het standpunt dat B/T in beginsel vooringenomen heeft gehandeld nu niet vaststaat dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld te reageren. Compensatie blijft echter achterwege, aangezien belanghebbende de KOT per 31 december 2008 heeft stopgezet en het volgens UHT niet aannemelijk is dat belanghebbende in 2009 gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Volgens UHT had belanghebbende daarom evident geen recht op KOT. Belanghebbende heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, een verklaring van haar moeder ingediend, waarin zij verklaart destijds als gastouder te hebben gefungeerd. De Commissie kan UHT volgen in haar standpunt dat een dergelijke verklaring niet voldoende aannemelijk maakt dat er betaalde en gekwalificeerde kinderopvang heeft plaatsgevonden.

Voorts betwist belanghebbende dat zij per 31 december 2008 de KOT heeft stopgezet, temeer nu in het overgelegde XML-bestand haar DigiD-gegevens ontbreken. Ter zitting heeft de gemachtigde UHT verzocht om het IP-adres te achterhalen waarop de stopzetting is doorgegeven. De Commissie kan UHT volgen in haar standpunt dat het IP-adres geen betrouwbare informatie geeft over de identiteit of de fysieke locatie van de burger en niet bijdraagt aan de verificatie of authenticatie van de communicatie. Voor deze doeleinden is gebruik van DigiD de aangewezen methode. In het XML-bestand staat het burgerservicenummer (BSN) van belanghebbende opgenomen, hetgeen impliceert dat belanghebbende via DigiD de KOT heeft stopgezet. De Commissie overweegt dat belanghebbende te allen tijde verantwoordelijk blijft voor de persoonlijke DigiD-gegevens inclusief eventueel gebruik daarvan door derden, tenzij sprake is van identiteitsfraude door een derde. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van identiteitsfraude door een derde.

Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende in dit toeslagjaar kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie ziet dan ook geen aanknopingspunten om van de stelling van UHT om belanghebbende niet te compenseren af te wijken. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2010 en 2011

Uit de onderliggende stukken en de systemen van B/T is niet gebleken dat belanghebbende in de toeslagjaren 2010 en 2011 KOT heeft aangevraagd. De Commissie merkt op dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht alleen compensatie wordt toegekend aan de aanvrager van KOT. Voor de toeslagjaren 2010 en 2011 voldoet belanghebbende niet aan dit vereiste, waardoor zij niet voor compensatie in aanmerking komt. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 16 november 2023 (UHT-DCHA) ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter