Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15372

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 27 september 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 5 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHA in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om toekenning van een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend over het toeslagjaar 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 27 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij beschikking van 27 september 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 november 2023, ingekomen op 3 november 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 22 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 5 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Gemachtigde en belanghebbende zijn niet verschenen. Gemachtigde heeft die afwezigheid op 5 juni telefonisch toegelicht. De Commissie heeft de hoorzitting gehouden in aanwezigheid van UHT. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd. Het verslag is na de zitting naar gemachtigde verzonden, met het verzoek – desgewenst – te reageren. Gemachtigde heeft bij e-mail van 17 juni 2025 de Commissie geïnformeerd dat hij niet inhoudelijk wenst te reageren.
  • UHT heeft op 5 juni 2025 aanvullende stukken ingediend. Gemachtigde heeft laten weten ook hierop niet te reageren.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om toekenning van compensatie of een tegemoetkoming af te wijzen.

Zorgvuldigheidsbeginsel en verzoek om dossier

Belanghebbende is van mening dat de bestreden beschikking onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat haar geen inzicht is gegeven in de onderliggende stukken. Zij verzoekt om haar dossier, inclusief de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC).

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van de verzochte LIC-overzichten, het informatie- en beoordelingsformulier, SAS-overzichten en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren. De Commissie merkt verder op dat aan het verzoek van belanghebbende om haar dossier te ontvangen, is voldaan op 29 juli 2024.

Toeslagjaren niet meegenomen in de herbeoordeling

Belanghebbende stelt dat de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en het toeslagjaar 2018 ten onrechte niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. UHT wijst erop dat belanghebbende in haar herbeoordelingsverzoek heeft verzocht om een herbeoordeling van het toeslagjaar 2019. Zij heeft niet verzocht om een herbeoordeling over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en het toeslagjaar 2018. UHT vat deze bezwaargrond op als een herbeoordelingsverzoek over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en het toeslagjaar 2018 en zegt toe dit verzoek intern neer te zullen leggen bij de juiste afdeling. De Commissie deelt het standpunt van UHT dat alleen is verzocht om herbeoordeling van het toeslagjaar 2019. De Commissie neemt met instemming kennis van de toezegging van UHT om de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en toeslagjaar 2018 alsnog mee te nemen in de herbeoordeling. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2019

Belanghebbende stelt dat het aantal toegekende opvanguren in de beschikkingen KOT over toeslagjaar 2019 onjuist is en dat de KOT op 28 december 2019 ten onrechte op nihil gesteld is.

UHT heeft in haar beschouwing per kind van belanghebbende toegelicht dat het toegekende aantal uren opvang inderdaad niet overeenkomt met het aantal uren dat door de kinderopvangorganisatie is doorgegeven. Volgens UHT is dit verschil ontstaan omdat de voorlopige beschikking KOT “automatisch” definitief is vastgesteld, zonder dat daar een controle aan te pas is gekomen. Ter zitting heeft UHT toegelicht dat alle mogelijk vooringenomen handelingen, waaronder het opvragen van informatie bij belanghebbende en het neerwaarts bijstellen van de KOT over 2019 hebben plaatsgevonden na 23 oktober 2019. Volgens UHT had vooringenomenheid vastgesteld kunnen worden, omdat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de melding van belanghebbende dat zij gestopt was met studeren wel heeft verwerkt, maar de melding dat zij is gaan werken niet. B/T had kunnen weten dat iets niet klopte, maar heeft daar niet naar gehandeld. Dit zou vooringenomenheid hebben kunnen opleveren, maar omdat alle gebeurtenissen na 23 oktober 2019 hebben plaatsgevonden vallen die daarmee buiten de reikwijdte van de Wht. Gelet op de reikwijdte van de wet is er geen ruimte om binnen deze procedure compensatie toe te kennen. Aan dit wettelijk stramien is UHT gebonden. Overigens heeft B/T de definitieve beschikking KOT over toeslagjaar 2019 bij beschikking van 7 februari 2020 herzien, is belanghebbende alsnog KOT over 2019 toegekend en is het aantal opvanguren in 2025 ambtshalve aangepast waarbij de KOT over 2019 met € 1.417 is verhoogd, aldus UHT.

De Commissie overweegt dienaangaande als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 2.1 lid 1 Wht, aanhef en onder a, wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de KOT sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.

Uit het dossier volgt dat de KOT over 2019 aanvankelijk is toegekend en uitbetaald. Op 26 oktober 2019 heeft B/T belanghebbende per brief verzocht inlichtingen te verschaffen. Belanghebbende heeft dat gedaan door twee meldingen via de website op 19 november 2019. Kennelijk heeft B/T de melding dat belanghebbende in 2013 was gestopt met haar studie wel verwerkt maar de melding dat zij in 2016 was gaan werken niet. Bij beschikking van 28 december 2019 is de KOT over 2019 op nihil gesteld. Uit dit feitenoverzicht volgt dat alle handelingen van B/T (het opvragen van informatie en het onjuist verwerken daarvan) ná 23 oktober 2019 hebben plaatsgevonden. Dat leidt tot de conclusie dat, als die handelingen al als vooringenomen in de zin van de Wht moeten worden aangemerkt, die handelingen niet tot compensatie ingevolge de Wht kunnen leiden. De Commissie laat dit onderdeel van het bezwaar daarom verder onbesproken.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Secretaris

Fungerend voorzitter