BAC 2024-15370
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHO
Hoorzitting: 14 juli 2025 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 12 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €31.171,- voor de jaren 2010 en 2011. Er is geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2014.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 11 april 2024 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 31.102,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2012 tot en met 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij besluit van 5 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van in totaal €31.171,-voor de jaren 2010 en 2011. Er is geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 april 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 27 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 14 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder het informatie- en beoordelingsformulier, de compensatieberekening, RKT-bestanden, LIC-overzichten - en andere producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Beoordeling afwijzing compensatie over de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 Belanghebbende is van mening dat zij over de toeslagjaren 2012 en 2013 recht heeft op compensatie. In de jaren 2012 en 2013 is de KOT immers verlaagd uitsluitend op basis van informatie die door de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is doorgegeven. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft nagelaten deze informatie op juistheid te controleren door geen navraag te doen bij belanghebbende, ondanks aanzienlijke neerwaartse bijstellingen. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de kinderopvanginstellingen destijds niet verplicht waren het systeem KOI-viewer te vullen, zodat de ingevoerde gegevens onbetrouwbaar waren.
Ter zitting deelt gemachtigde mee dat het toeslagjaar 2014 niet meer in geschil is.
De Commissie overweegt als volgt.
Belanghebbende heeft in de toeslagjaren 2012 en 2013 opvang afgenomen. In 2012 en 2013 verantwoordde de KOI de afgenomen opvang voor het gehele jaar in het systeem KOI-viewer. Ter zitting geeft UHT aan dat belanghebbende in 2013 een verlaging van het aantal opvanguren heeft doorgegeven van 200 naar 132 uur. Deze wijziging lag ten grondslag aan de neerwaartse bijstelling door B/T. De wijziging wordt ter zitting niet door belanghebbende betwist. De Commissie concludeert dat de wijziging een reguliere wijziging betrof. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel geen recht op compensatie op grond van de Wht. Verder heeft de Commissie in het dossier geen aanknopingspunten kunnen vinden voor een stopzetting of andere wijzigingen door belanghebbende of van informatie waaruit volgt dat de B/T niet zonder meer kon afgaan op de door de KOI verantwoorde opvang. Volgens de Commissie bestond daarom geen aanleiding voor B/T om over deze jaren bij belanghebbende navraag te doen over de ontvangen informatie van de KOI. Er hebben zich ook overigens geen onregelmatigheden voorgedaan op basis waarvan B/T actie had moeten ondernemen. B/T mocht in dit geval dus uitgaan van de registraties zoals deze werden gedaan door de KOI in het systeem KOI-viewer. Dat het systeem destijds niet verplicht was, doet hieraan niet af.
De Commissie adviseert UHT om de bezwaren op dit punt ongegrond te verklaren.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening
Tussen partijen is niet in geschil dat B/T tegenover belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011 individueel vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-DCHO een forfaitair compensatiebedrag van€ 31.171,- toegekend aan de hand van een compensatieberekening.
Belanghebbende heeft deze op verschillende punten bestreden. De Commissie beoordeelt de compensatieberekening als volgt.
UHT heeft gedurende deze bezwaarprocedure geconstateerd dat onderdeel o (rente gemiste KOT) van de compensatieberekening onjuist is berekend voor de toeslagjaren 2010 en 2011. UHT geeft aan deze bedragen conform haar schriftelijke reactie van 27 maart 2025 niet te zullen aanpassen omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn. De Commissie heeft hiervan met instemming kennisgenomen en adviseert UHT om het bestreden besluit niet te herroepen, maar om de motivering in haar beslissing op bezwaar voor dit onderdeel aan te vullen.
Vergoeding immateriële schade tot het moment van de beslissing op bezwaar
De Commissie overweegt dat de vaste (“forfaitaire”) vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n) een vergoeding is voor veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid die belanghebbende ervaart omdat het lang duurt voordat de compensatie definitief is berekend. Belanghebbende heeft door de bezwaarprocedure langer moeten wachten op de definitieve berekening van haar compensatie en hiervan stress ervaren die nog steeds voortduurt. In een dergelijke situatie hanteert UHT als einddatum van de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade het moment van de beslissing op bezwaar.
De Commissie ziet, in deze zelfde lijn, aanleiding UHT te adviseren de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade van belanghebbende te berekenen tot het moment van de beslissing op bezwaar. Bovenstaande brengt met zich mee dat ook de aanvullende vergoeding (onderdeel p) van de compensatieberekening opnieuw berekend en vastgesteld moet worden.
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter