BAC 2024-15298
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 december 2023 (UHT-DCHA )
Hoorzitting: 19 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 28 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 november 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 en 2010. In overleg met belanghebbende zijn 2012 tot en met 2015, alle jaren waarin zij van kinderopvang gebruik heeft gemaakt, herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 15 januari 2002 met kenmerk UHT-CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 8 november 2023 met kenmerk UHT-VCH A aan belanghebbende geen compensatie toegekend.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 december 2023, ingekomen op 14 december 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 19 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Op 24 juni 2025 heeft UHT op verzoek van de Commissie een aanvullende beschouwing toegestuurd. Gemachtigde heeft op 7 juli 2025 op die beschouwing gereageerd. Op 6 november 2025 heeft UHT de bij haar aanvullende beschouwing behorende producties toegestuurd. Op 18 november 2025 heeft gemachtigde, daartoe door de Commissie uitgenodigd, op de aanvullende producties gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Bij de behandeling van het bezwaar van belanghebbende heeft UHT, zo voert zij aan, vastgesteld dat zij heeft nagelaten om, zoals voorgeschreven in artikel 3 van de Instellingsregeling Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen, het dossier van belanghebbende aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) voor te leggen. UHT heeft verder vastgesteld dat zij het bestreden besluit aldus onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid.
De Commissie stelt voorop dat CvW een adviseur is in de zin van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). UHT heeft ter zitting gesteld dat het dossier van belanghebbende niet aan CvW is aangeboden en dat daarom geen advies van de CvW aanwezig is. UHT heeft CvW aldus in de positie gebracht dat deze niet kan voldoen aan het bepaalde in artikel 3 van de Instellingsregeling Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen (hierna: de Instellingsregeling), terwijl gesteld noch gebleken is dat zich hier een van de omstandigheden voordoet die de eis van het uitbrengen van advies, ingevolge dat zelfde artikel 3 van de Instellingsregeling, niet toepasselijk zou doen zijn. De Commissie overweegt dat het niet laten uitbrengen van een advies, aldus beschouwd, een onzorgvuldigheid in de voorbereiding van het bestreden besluit oplevert. UHT heeft in dit geval, door middel van de ter beschikkingstelling van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken en het indienen van een uitgebreide schriftelijke reactie, evenwel aangetoond dat zij het bestreden besluit zorgvuldig heeft voorbereid. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat belanghebbende in dit geval door het uitblijven van een advies van de CvW, is benadeeld. De Commissie adviseert UHT daarom, gelet op artikel 6:22 Awb, dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onvoldoende gemotiveerd – belangenafweging
Met de door UHT na het bezwaar van belanghebbende ingediende beschouwing en de overgelegde stukken is in ieder geval thans verder geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Toeslagjaar 2015
Het bezwaar van belanghebbende spitst zich toe op 2015. Zij meent dat zij over onvoldoende stukken beschikt om te kunnen toetsen of het besluit van UHT, dat inhoudt dat aan haar voor dat jaar geen compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid wordt verstrekt, juist is.
De Commissie stelt aan de hand van het overgelegde ouderdossier vast dat de KOT voor het toeslagjaar 2015 door de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) voor het eerst werd verlaagd op 20 juni 2015 nadat de kinderopvanginstelling (hierna: KOI), waarvan belanghebbende gebruik maakte, doorgaf dat de opvang met ingang van 14 mei 2015 zou worden beëindigd. Belanghebbende heeft niet betwist dat de opvang toen is opgehouden. Niet gebleken is ook dat zij tegen de verlaging van de KOT, die daarvan het gevolg was, bezwaar heeft gemaakt. Vervolgens heeft B/T belanghebbende op 25 januari 2017 verzocht om toezending van bewijsstukken om het recht van belanghebbende op KOT over het toeslagjaar 2015 vast te kunnen stellen. Omdat een reactie uitbleef heeft B/T haar verzoek op 25 maart 2017 herhaald. Nadat zij ook op dit verzoek geen reactie ontving heeft B/T, zo begrijpt de Commissie uit de aanvullende beschouwing van UHT, de KOT voor het toeslagjaar 2015 vastgesteld op grond van de zogenoemde KOT-contra informatie die door UWV in haar systemen was ingevoerd. Daarbij is B/T zoals volgt uit de KOT- contra informatie (productie 2700009), het besluit van 28 april 2017 (productie 27008) en de aanvullende beschouwing uitgegaan van 73,63 gewerkte uren per maand in de eerste 4 maanden van 2015 en van 30,87 uren in mei 2015. Gemiddeld is dat 46 uren per maand in plaats van de 45 uren, waarvan in het besluit van 28 april 2017 is uitgegaan. In de aanvullende beschouwing is uitgelegd, dat het verschil (van één uur per maand) het gevolg is van een verkeerde afronding. Het verschil vond dus zijn oorzaak in een menselijke rekenfout en niet in vooringenomen handelen. De verlaging van de KOT bij besluit van 28 april 2017 met een bedrag van € 701 was dus niet vooringenomen en kan niet leiden tot compensatie. De Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en heeft geen betrekking op de herziening van definitieve KOT-besluiten. De beoordeling van het besluit van 28 april 2017 op zichzelf valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter