Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15239

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 24 oktober 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 26 mei 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 11 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek tot vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016, 2017, 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 30 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2018.
    Het informatie-en beoordelingsformulier vermeldt dat de te beoordelen jaren op verzoek van de advocaat zijn gewijzigd in de jaren 2017 tot en met 2019.
    De definitieve beschikking is uiteindelijk uitgegaan van de jaren 2016 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 september 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 19 september 2023 (met kenmerk UHT-VCH A) aan belanghebbende laten weten dat zij geen recht heeft op compensatie op grond van één van de herstelregelingen.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking (met kenmerk UHT-DCHA) aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 11 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft het bezwaarschrift bij e-mailbericht van 13 mei 2025 aangevuld.
  • Op 26 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 26 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
    29 augustus 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motivering / Equality of arms
Gemachtigde stelt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat zij geen inzicht heeft in de stukken waarop het compensatiebedrag is gebaseerd. Verder is zij van mening dat de wijze waarop de B/T omging met de automatische continuering onzorgvuldig was. Gemachtigde stelt dat UHT bovendien handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt belanghebbende in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Zij hebben de gelegenheid gehad daarop te reageren. De Commissie acht de bestreden besluiten daarmee voldoende onderbouwd. De Commissie adviseert UHT daarom om de onderdelen van het bezwaar die zien op de motivering en het beginsel van equality of arms ongegrond te verklaren.

Hardheid en beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat B/T in de betrokken toeslagjaren geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en neemt daarom het standpunt in dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor compensatie. De Commissie begrijpt de stellingname van belanghebbende aldus dat bij een eventuele verrekening geen rekening met de beslagvrije voet is gehouden.

De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder.

De Commissie merkt bovendien op dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot 1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb in combinatie met artikel 475c onderdeel j Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) tot 1 januari 2021 in het geheel geen beslagvrije voet van toepassing was. Vanaf 1 januari 2021 worden in de wettelijke regeling de toeslagen wél meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c onderdeel j Rv), met uitzondering van de KOT. De KOT is namelijk niet bedoeld als inkomensvoorziening maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. De beslagvrije voet is dus geen belemmering voor het verrekenen van terugvorderingen KOT. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2017, 2018 en 2019
Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde aangevoerd dat belanghebbende begin 2022 voor toeslagjaar 2017 een herzieningsverzoek heeft ingediend waarop niet zou zijn beslist. Het niet (tijdig) beslissen op dit verzoek zou volgens de gemachtigde als vooringenomen handelen dienen te worden beschouwd.

In het verlengde hiervan heeft de gemachtigde in haar aanvullende reactie na de hoorzitting aangevoerd dat de beslissingen op de herzieningsverzoeken voor de toeslagjaren 2018 en 2019 dienen te worden beschouwd als vooringenomen handelen in het verleden. De correcties op de toegekende KOT-bedragen voor deze toeslagjaren zijn het resultaat van de herzieningsverzoeken van belanghebbende en daarmee is vooringenomenheid in het verleden aangetoond, aldus gemachtigde.

De Commissie volgt gemachtigde niet in haar betoog.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie in de periode voor
23 oktober 2019 en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.

Daarnaast geldt dat B/T de wettelijke taak heeft om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij in beginsel vertrouwen op de inkomensgegevens van ouders zoals deze in het systeem van de belastingdienst worden verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.

Na bestudering van de stukken in het dossier overweegt de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De KOT bedragen voor deze toeslagjaren zijn steeds op basis van reguliere wijzigingen en verkregen informatie opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen  geven  in  beginsel  ook  geen  aanspraak  op  een  zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Analoge toepassing van art. 2.6 Wht op grond van art. 9.1 Wht
Naar de Commissie begrijpt, bepleit de belanghebbende voor het toeslagjaar 2019 voor toekenning van een tegemoetkoming op basis van art. 2.6 Wht. Weliswaar is voor dat jaar geen sprake van een betalingsregeling die zou zijn geweigerd op grond van een ten onrechte toegekende kwalificatie van opzet of grove schuld (hierna: O/GS) als bedoeld in die bepaling, maar belanghebbende is van mening dat haar situatie vergelijkbaar is met dat geval en dat zij op grond van de hardheidsregeling van art. 9.1 Wht aanspraak kan maken op eenzelfde compensatie.

Volgens artikel 2.1 Wht wordt ingevolge die wet een compensatie toegekend aan personen ten aanzien van wie voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid bij B/T of sprake is geweest van onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor die datum werd gegeven aan het wettelijke systeem. Verder kan op grond van artikel 2.6 Wht een zgn. O/GS-tegemoetkoming worden verleend als geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd van wege de ten onrechte toegepaste kwalificatie van opzet of grove schuld. Ook voor die vorm van compensatie, zo neemt de Commissie met UHT aan, geldt als voorwaarde dat het gaat om een optreden of nalaten van de B/T dat zich heeft voorgedaan voor
23 oktober 2019. De Commissie acht aannemelijk dat, als ten aanzien van belanghebbende voor 2019 een betalingsregeling voor een KOT-schuld is geweigerd, dit is gebeurd na 23 oktober 2019. Dat brengt mee dat belanghebbende alleen al om die reden geen aanspraak kan maken op een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht. Er zijn nog twee andere redenen die meebrengen dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht. In de eerste plaats zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die zouden kunnen meebrengen dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, op een lijn kan worden gesteld met de situatie van een persoon aan wie een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd als bedoeld in die bepaling. In het geval bedoeld in artikel 2.6 Wht gaat het om een weigering van een betalingsregeling die zijn grondslag vindt in een overheidshandeling die onjuist was, namelijk de ten onrechte toegepaste OGS-kwalificatie. Dat ten aanzien van belanghebbende sprake zou zijn geweest van vergelijkbaar overheidshandelen is niet aannemelijk geworden. In de tweede plaats is niet aannemelijk geworden dat ten aanzien van belanghebbende sprake is geweest van feiten of omstandigheden die een onbillijkheid van overwegende aard opleveren als bedoeld in artikel 9.1 Wht. Die bepaling rechtvaardigt daarom volgens de Commissie niet een analoge toepassing van artikel 2.6 Wht, zoals belanghebbende voorstaat. De Commissie zal daarom UHT adviseren dat verzoek af te wijzen.

Proceskostenvergoeding
Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter