BAC 2024-15214
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 september 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 20 november 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 6 januari 2026
Samenvatting
TDe Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 70.649.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013 tot en met 2017. In overleg met belanghebbende is het verzoek gewijzigd in de toeslagjaren 2007 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juli 2021, met kenmerk UHT-B DMB 2, aan belanghebbende medegedeeld dat zij Kies een item. in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 25 juli 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een vergoeding toegekend voor een bedrag van € 65.791.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 27 september 2023, met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 66.160 wegens vooringenomenheid over de toeslagjaren 2007 tot en met 2009, de maanden januari en februari 2010 en het toeslagjaar 2013 alsmede een tegemoetkoming van € 4.489 wegens een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) over de toeslagjaren 2014 en 2015. Belanghebbende heeft geen recht op compensatie of een tegemoetkoming over de periode maart tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011, 2012 en 2016 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft op 6 november 2023 bezwaar ingediend tegen deze beschikking.
- UHT heeft op 12 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft de Commissie op 19 november 2025 geïnformeerd dat belanghebbenden en gemachtigde niet zullen verschijnen op de zitting van 20 november 2025 en de gronden van bezwaar aangevuld.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 20 november 2025 een nadere schriftelijke reactie op de aanvullende gronden van 19 november 2025 ingediend. Gemachtigde heeft daar op 28 november 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Geen persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn op 14 april 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet het geval. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie merkt op dat UHT heeft voldaan aan het verzoek om specifieke stukken van gemachtigde door deze op te nemen in het dossier. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van 9 maanden definitief had moeten beslissen over de KOT over toeslagjaar 2005, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Belanghebbende stelt dat niet kan worden uitgesloten dat zij stond op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) - lijst. De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier niet blijkt dat belanghebbende voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat de conclusie dat alleen sprake is van een onterechte kwalificatie O/GS over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 onvoldoende onderbouwd is. De Commissie is van oordeel dat UHT voldoende onderbouwd heeft, met behulp van producties in het dossier, dat alleen sprake is van een onterechte kwalificatie O/GS en dat de tegemoetkoming hiervoor op de juiste wijze is berekend. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat onduidelijk is welke gevolgen worden gebonden aan de conclusie dat zij mogelijk gediscrimineerd is. De Commissie merkt hierover op dat mogelijke discriminatie wordt meegenomen in de beoordeling of recht bestaat op compensatie. Belanghebbende is gecompenseerd op grond van vooringenomenheid en mogelijke discriminatoire behandeling is in de beoordeling hiervan bewerkt. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende voert over verschillende toeslagjaren aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT).
De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de CWS. Hiervoor is op 25 november 2025 een nieuw aanmeldportaal geopend. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2007 tot en met 2009
Belanghebbende stelt dat voor de toeslagjaren 2007 en 2008 het bedrag onder component a (de hoogte van de KOT voorafgaand aan de onterechte verlaging) niet op juistheid kan worden getoetst, omdat een jaaropgave ontbreekt en de KOI-viewer leeg is of op nul is gesteld. Daarnaast stelt belanghebbende dat de KOT over toeslagjaar 2009 destijds te laag definitief is vastgesteld.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. Daarnaast stelt de Commissie vast dat belanghebbende kennelijk niet tegen de definitieve beschikkingen KOT in bezwaar is gegaan. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat haar niet verweten kan worden dat de KOT is stopgezet vanwege vooringenomenheid en dat in de compensatieberekening component a over toeslagjaar daarom vastgesteld moet worden op € 7.174 in plaats van de gehanteerde € 1.196. UHT heeft het laatste bedrag gekozen omdat volgens UHT sprake is van evident geen recht op KOT over de maanden maart tot en met december 2010. Belanghebbende merkt op dat uit het dossier blijkt dat zij op 12 mei 2010 nog inkomensgegevens heeft doorgegeven ten behoeve van de berekening van de KOT. Ook stelt zij dat de kinderopvanginstelling is gewijzigd gedurende toeslagjaar 2010 en dat het bewijs van deze wijziging ten onrechte niet in het dossier is opgenomen. Volgens belanghebbende is duidelijk dat zij over het gehele toeslagjaar 2010 opvang heeft genoten en dient component a over toeslagjaar 2010 vastgesteld te worden op een soortgelijke hoogte als component a over toeslagjaar 2009.
UHT stelt dat in de KOI-viewer over toeslagjaar 2010 alleen opvanggegevens zijn te vinden over de maanden januari en februari. Volgens UHT blijkt uit het dossier niet dat er een wijziging in de kinderopvanginstelling heeft plaatsgevonden. Ook blijkt volgens UHT uit het dossier niet dat er na februari 2010 opvang heeft plaatsgevonden en is er dus sprake van evident geen recht op KOT. Dit betekent volgens UHT dat over de maanden maart tot en met december 2010 geen recht op compensatie bestaat. UHT wijst erop dat de bewijslast voor het recht op compensatie volgens de memorie van toelichting van de Wht bij belanghebbende ligt.
Naar de mening van belanghebbende mag niet lichtzinnig worden uitgegaan van evident geen recht op KOT. Dat uit de systemen geen opvang blijkt, betekent volgens belanghebbende niet dat met volledige zekerheid kan worden gezegd dat geen opvang is genoten. Zij stelt dat wel opvang is genoten over de maanden maart tot en met december 2010.
De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen waaruit aannemelijk wordt dat belanghebbende in de maanden maart tot en met december 2010 opvang heeft genoten. Ook blijkt volgens de Commissie niet uit het dossier dat de opvanginstelling is gewijzigd. De Commissie komt om deze reden tot dezelfde conclusie als UHT, dat sprake is van evident geen recht op KOT over de maanden maart tot en met december 2010 en dat er geen recht op compensatie over deze periode bestaat. Belanghebbende is destijds kennelijk ook niet tegen de stopzetting in bezwaar gegaan. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen compensatie is toegekend over toeslagjaar 2011. Over toeslagjaar 2011 was sprake van vooringenomenheid omdat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) destijds onvoldoende informatie heeft uitgevraagd. Volgens belanghebbende stelt UHT opnieuw onterecht dat sprake is van evident geen recht op KOT over toeslagjaar 2011. Volgens belanghebbende is een niet ingevulde KOI-viewer onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van evident geen recht. Nu B/T te weinig informatie heeft uitgevraagd, dient de beoordeling in het voordeel van belanghebbende uit te vallen. Daarnaast verzoekt belanghebbende om toelichting over het uitbetalen van de KOT aan de ][naam bank].
UHT stelt dat de [naam bank] destijds optrad als budgetbeheerder van belanghebbende met het doel om overzicht en financiële stabiliteit te creëren. Met de uitbetaling van de KOT aan de [naam bank] komt de KOT nog steeds aan belanghebbende ten goede. UHT licht toe dat uit geen van de systemen van B/T blijkt dat belanghebbende opvang heeft genoten over toeslagjaar 2011. Ondanks dat vooringenomen is gehandeld, heeft belanghebbende volgens UHT hierdoor geen recht op compensatie over toeslagjaar 2011.
Naar de mening van belanghebbende staat op de website van de B/T vermeld dat bij uitbetalingen aan een budgetbeheerder betaalafspraken met de B/T dienen te worden gemaakt. Belanghebbende verzoekt deze afspraken in het geding te brengen.
De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen waaruit aannemelijk wordt dat belanghebbende over toeslagjaar 2011 opvang heeft genoten. De Commissie merkt op dat op de door belanghebbende aangedragen website van de B/T staat vermeld dat een budgetbeheerder afspraken over uitbetalingen kan maken. Op deze website staat niets vermeld over een verplichting om afspraken over uitbetalingen te maken. Met het uitbetalen van de KOT aan de [naam bank] kwam de KOT nog steeds ten goede aan belanghebbende. De [naam bank] trad immers op als budgetbeheerder. De Commissie komt op grond van bovenstaande informatie tot dezelfde conclusie als UHT, dat sprake is van evident geen recht op KOT over toeslagjaar 2011 en dat er geen recht op compensatie over dit toeslagjaar bestaat. Belanghebbende is destijds kennelijk ook niet in bezwaar gegaan tegen de stopzetting van de KOT. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat zij de stopzetting van de KOT over toeslagjaar 2012 niet zelf heeft doorgegeven. Volgens belanghebbende is de stopzetting door derden gedaan en is geen informatie bij haar uitgevraagd. Zij stelt dat dit vooringenomenheid oplevert. Ook stelt zij dat over dit toeslagjaar ten onrechte KOT is uitbetaald aan de [naam bank].
UHT stelt dat belanghebbende wel zelf de KOT over toeslagjaar 2012 op 27 februari 2012 heeft stopgezet met ingang van 1 januari 2012. Volgens UHT bestaat hierom geen recht op compensatie over dit toeslagjaar, omdat sprake is van een reguliere wijziging. UHT herhaalt het standpunt over de [naam bank] zoals vermeld onder de overweging hierboven over toeslagjaar 2011.
De Commissie maakt uit het dossier op dat belanghebbende zelf de KOT over toeslagjaar 2012 op 27 februari 2012 per 1 januari 2012 heeft stopgezet. Dit is een reguliere wijziging op basis van informatie van belanghebbende en levert geen recht op compensatie op. Belanghebbende is hier destijds kennelijk ook niet tegen in bezwaar gegaan. De Commissie merkt, net als bij het toeslagjaar 2011, op dat de uitbetalingen van de KOT aan de [naam bank] aan belanghebbende ten goede zijn gekomen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt dat voor het toeslagjaar 2013 het bedrag in de compensatieberekening onder component a (de hoogte van de KOT voorafgaand aan de onterechte verlaging) niet op juistheid kan worden getoetst, omdat een jaaropgave ontbreekt.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat de KOT over toeslagjaar 2014 is verrekend en dat zij hierdoor in de problemen kwam. Daarnaast was er volgens belanghebbende sprake van een blokkade op de uitbetalingen van de KOT, waarbij de Ombudsman moest worden ingeschakeld om deze blokkade op te heffen. Volgens belanghebbende is er sprake van vooringenomenheid dan wel hardheid. Ook stelt zij dat de KOT over toeslagjaar 2014 te laag is vastgesteld, omdat de maanden augustus tot en met december 2014 niet zijn meegenomen in de definitieve berekening. Tot slot stelt belanghebbende dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) niet meer bevoegd was om de KOT over toeslagjaar 2014 op 28 januari 2016 te verlagen.
UHT stelt dat de blokkade rechtmatig was, omdat de door belanghebbende opgegeven wijzigingen in de opvangkosten boven de geldende maxima uitkwamen. Dit was de aanleiding om het recht op KOT te controleren. Om deze reden is op 16 december 2013 een brief verzonden aan belanghebbende. In deze brief werd haar verzocht aanvullende informatie over de KOT aan te leveren, zodat het recht op KOT kon worden vastgesteld. Volgens UHT heeft de B/T geen reactie ontvangen op deze brief en was de B/T destijds bevoegd om de uitbetaling van de KOT op te schorten totdat het recht was aangetoond. Volgens UHT levert deze handeling geen vooringenomenheid op. Na ontvangst van de informatie is de uitbetaling van de KOT binnen drie maanden hervat. Volgens UHT is verder over toeslagjaar 2014 sprake van reguliere wijzigingen op basis van gegevens die belanghebbende heeft aangeleverd en gegevens uit de KOI-viewer. Volgens UHT is geen sprake van hardheid, omdat de KOT aan belanghebbende is uitbetaald en er geen andere bijzondere omstandigheden zijn die het recht op compensatie op grond van hardheid rechtvaardigen.
Volgens Belanghebbende is de KOT over toeslagjaar 2013 automatisch verlengd naar toeslagjaar 2014 en kan daarom niet gevolgd worden dat de blokkade voortkwam uit wijzigingen die belanghebbende heeft doorgegeven. Zij stelt dat de blokkade niet ingesteld had mogen worden. Belanghebbende stelt dat de brief van 16 december 2013 niet verzonden is. Zij stelt tot slot dat de blokkade effectief vier maanden heeft geduurd, in plaats van drie.
De Commissie merkt op dat de brief van 16 december 2013 in het dossier is opgenomen. De Commissie acht het daarom aannemelijk dat deze brief wel degelijk is verzonden. De Commissie overweegt dat de B/T destijds bevoegd was om uitbetalingen op te schorten bij onvoldoende informatie om het recht op KOT vast te stellen. Naar het oordeel van de Commissie heeft de B/T hiermee niet vooringenomen gehandeld. Ook ziet de Commissie geen verdere aanleiding om compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid toe te kennen. De Commissie overweegt voorts dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van de in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. Het argument dat de maanden augustus tot en met december 2014 niet zijn meegenomen in de vaststelling van de KOT treft daarom geen doel. De Commissie wijst er tot slot op dat de B/T bevoegd is op grond van artikel 21 van de Awir om tot vijf jaar na het verstrijken van het toeslagjaar de toeslag te herzien. De B/T was dus bevoegd om de KOT op 28 januari 2016 te verlagen. Gelet op het hetgeen hiervoor is omschreven adviseert de Commissie het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over toeslagjaar 2015 omdat zij de wijzigingen in de KOT over toeslagjaar 2015 niet zelf heeft doorgevoerd.
UHT stelt dat belanghebbende op 10 april 2015 zelf een stopzetting per 30 april 2015 heeft doorgevoerd. Daarnaast heeft de B/T op basis van de gegevens in de KOI-viewer de KOT stopgezet per 1 augustus 2015. De KOT is vervolgens op nihil beschikt per 29 december 2015. Volgens UHT bestond er voor B/T geen aanleiding om te twijfelen aan deze gegevens.
De Commissie maakt uit het dossier op dat belanghebbende zelf de KOT over toeslagjaar 2015 op 10 april 2015 per 30 april 2015 heeft stopgezet. Dit betreft een reguliere wijziging. Voor de overige wijzigingen mocht B/T naar het oordeel van de Commissie vertrouwen op de door de B/T ontvangen gegevens. Belanghebbende heeft destijds kennelijk ook geen bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van de KOT. De Commissie ziet geen aanleiding om compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid of hardheid en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2016 tot en met 2019
Belanghebbende stelt dat de jaaropgaven over de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 ontbreken. Daarnaast is de KOI-viewer over de toeslagjaren 2016 en 2017 leeg. Over 2018 is de KOI-viewer wel ingevuld, maar deze gegevens zijn volgens belanghebbende onvoldoende om een definitieve berekening van de KOT op te baseren.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van de in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat zij meer immateriële schade heeft geleden dan is berekend.
UHT heeft gemotiveerd toegelicht dat de datum van de eerste interne melding van de onterechte verlaging van de KOT als startdatum is gehanteerd en dat de einddatum is vastgesteld op de dagtekening van de compensatiebeschikking.
De Commissie overweegt dat de vergoeding voor immateriële schade forfaitair wordt vastgesteld. Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT deze op de juiste wijze berekend. Indien belanghebbende van mening is dat de toegekende vergoeding de geleden immateriële schade de lading niet dekt, kan zij -zoals hierboven omschreven-een verzoek om aanvullende compensatie indienen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding voor gemiste KOT
UHT heeft de compensatieberekening ambtshalve gecontroleerd. UHT is daarbij tot de conclusie gekomen dat de rentevergoeding voor gemiste KOT over de toeslagjaren 2008, 2009 en 2013 onjuist, maar in het voordeel van belanghebbende, is vastgesteld door het gebruik van een onjuiste einddatum. UHT is voornemens de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT over de toeslagjaren 2008, 2009 en 2013 in stand te laten. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en adviseert de rentevergoeding voor gemiste KOT over toeslagjaren 2008, 2009 en 2013 in stand te laten.
Belanghebbende stelt dat de berekende compensatie niet de geleden schade dekt. De Commissie overweegt hierover als volgt. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure, waarbij advies aan de Commissie Werkelijke Schade wordt gevraagd, bestemd.
Belanghebbende kan zich aanmelden bij CWS via het nieuwe aanmeldportaal. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de onderhavige bezwaarprocedure af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter