BAC 2024-15204
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 10 april 2025
Overdracht advies aan UHT: 16 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 en 2008. Op verzoek van gemachtigde is de beoordeling daarna uitgebreid met de jaren 2005 en 2006.
- UHT heeft bij beschikking van 28 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op basis van de Cathuisregeling.
- UHT heeft bij vooraankondiging met kenmerk UHT-VCH A van 29 januari 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2008.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 januari 2024 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geoordeeld dat met betrekking tot de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 12 februari 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2008.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 maart 2024 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 28 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 10 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om toekenning van compensatie of een tegemoetkoming af te wijzen.
Motivering bestreden besluit / Ontbrekende stukken / Equality of arms
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie constateert dat UHT in de bijlage bij de bestreden beschikking (het invul- en beoordelingsformulier) een toelichting per toeslagjaar heeft gegeven waarmee UHT de bestreden beschikking per jaar motiveert. Uit het dossier blijkt ook dat belanghebbende heeft afgezien van een oudergesprek waarmee zij haar situatie persoonlijk aan UHT had kunnen toelichten. Ook in de vooraankondiging heeft UHT belanghebbende de mogelijkheid gegeven om feiten naar voren te brengen die tot een andersluidende conclusie van UHT hadden kunnen leiden. Verder heeft UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing en een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelings-formulier, overzichten van het Landelijk Incasso Centrum en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit hierdoor voldoende onderbouwd.
Op 27 februari 2025 zijn de schriftelijke beschouwing en het bezwaardossier aan gemachtigde toegezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor nogmaals kennis kunnen nemen van de redenen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, de stukken in het dossier en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor het door UHT genomen besluit. Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dus niet tot het door haar gewenste doel leiden.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling van de toeslagjaren
UHT heeft de verschillende toeslagjaren uitvoerig behandeld in de schriftelijke beschouwing en komt tot dezelfde conclusie als de bestreden beschikking, namelijk dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie.
Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij uitsluitend nog vragen heeft over het toeslagjaar 2006. De jaren 2005, 2007 en 2008 zijn, zo verklaarde zij, duidelijk voor belanghebbende. De Commissie leidt hieruit af dat belanghebbende haar bezwaren tegen de afwijzing van haar verzoek tot compensatie over de jaren 2005, 2007 en 2008 niet langer handhaaft. Die jaren behoeven dus geen nadere bespreking.
Belanghebbende heeft met betrekking tot toeslagjaar 2006 betoogd dat uit het dossier niet blijkt dat het arbeidsintegratietraject is beëindigd per februari 2006 en dat uit de gegevens in de KOI-viewer niet blijkt dat geen kinderopvang is afgenomen. Daarom zou er vanuit moeten worden gegaan dat belanghebbende wel recht had op KOT over 2006 en heeft zij recht op compensatie nu dat jaar ten onrechte van haar is teruggevorderd.
UHT heeft in de schriftelijke reactie toegelicht dat met betrekking tot 2006 niet vooringenomen is gehandeld. UHT heeft geconstateerd dat er een verschil van twee dagen bestaat tussen de stopzetting van de KOT op 14 februari 2006 en het geplande einde van het arbeidsintegratieplan op 16 februari 2006. UHT vermoedt dat dit verschil van twee dagen een administratieve fout van B/T is geweest, maar dat verschil kwalificeert niet als een vooringenomen handeling. Belanghebbende heeft daarom geen recht op compensatie op grond van vooringenomenheid.
Zelfs al had B/T destijds vooringenomen gehandeld, dan nog had belanghebbende geen recht op KOT. Zij ontving namelijk voorafgaand en tijdens het arbeidsintegratietraject een bijstandsuitkering en na beëindiging van bedoeld
re-integratie traject per 16 februari 2006 was belanghebbende geen doelgroeper meer zodat zij geen recht meer had op KOT. Zij heeft ook geen gebruik gemaakt van opvang na 16 februari 2006.
De Commissie overweegt dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beëindiging van de KOT per 14 februari 2006. Verder verklaarde belanghebbende dat zij “zo’n één à twee jaar” na het arbeidsintegratie traject is gaan werken. In het dossier bevinden zich ook geen stukken waaruit blijkt dat belanghebbende kinderopvang heeft afgenomen in 2006. Uit het RKT-bestand over 2006 blijkt dat belanghebbende in 2006 een bijstandsuitkering ontving van het UWV en dat de KOT per 14 februari 2006 is beëindigd. Dit blijkt ook uit de tijdlijn in het informatie- en beoordelingsformulier over 2006. Belanghebbende was dus geen doelgroeper meer na 16 februari 2006 en had daarom (evident) geen recht op KOT over de resterende periode van 2006.
De vraag of B/T destijds nog nadere gegevens bij belanghebbende had moeten opvragen – belanghebbende stelt dat B/T dat ten onrechte niet heeft gedaan –
kan onbeantwoord blijven. Het nog nader opvragen van gegevens had niet tot een andere uitkomst geleid. Zelfs al zou sprake zijn geweest van vooringenomen handelen door B/T, dan nog heeft belanghebbende geen aanspraak op compensatie. Niet aannemelijk is immers geworden dat belanghebbende recht had op KOT na 16 februari 2006 omdat zij toen niet werkte, niet langer deelnam aan een re-integratietraject en geen opvang afnam. Er bestond dus zelfs als B/T door onvoldoende uitvraag te doen vooringenomen zou hebben gehandeld, geen recht op KOT en daarom bestaat er thans geen recht op compensatie.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat B/T in de desbetreffende toeslagjaren geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel.
UHT stelt, naar het oordeel van de Commissie terecht, dat B/T bij verrekeningen van KOT geen rekening hoefde te houden met de beslagvrije voet, nu de KOT niet is bedoeld als inkomensondersteuning, maar als bevordering van de arbeids-participatie.
Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert verder in beginsel geen compensatie op grond van hardheid op. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van (onder andere) hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder.
De Commissie adviseert UHT daarom deze bezwaargrond ongegrond te verklaren.
Kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar tegen het bestreden besluit ongegrond is, dient het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand te worden afgewezen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren;
- belanghebbende geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter