Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15201

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 26 augustus 2022 (UHT-DC I, UHT-DH5 A, UHT-DC I A)

Hoorzitting: 25 maart 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 12 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren gericht tegen de besluiten van 26 augustus 2022 met de kenmerken UHT-DC I, UHT-DH5 A en UHT-DC I A ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften worden geacht te zijn gericht tegen de volgende door UHT genomen besluiten.

  1. De beschikking van 26 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC I, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van €3.778 over de jaren 2011 en 2015 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij de toekenning van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) dan wel de regels te streng zijn toegepast.
  2. De beschikking van 26 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC-I A, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2013 en 2014 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat B/T bij de beoordeling van de KOT geen fouten heeft gemaakt.
  3. De beschikking van 26 augustus 2022 met kenmerk UHT-DH5 A, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2013 en 2014 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat B/T bij de beoordeling van de KOT de regels niet te streng heeft toegepast.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Op 25 mei 2020 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling van de toeslagjaren 2014 en 2015. Na het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar is beslist dat de herbeoordeling ziet op de jaren 2009 tot en met 2015.
  • Bij beschikking van 26 mei 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van €30.000.
  • Op 4 februari 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2013 en 2014 noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie.
  • Bij beschikkingen van 26 augustus 2022 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende voor de jaren 2011 en 2015 een definitief compensatiebedrag van € 73.778 krijgt toegekend. Voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2013 en 2014 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
  • Op 25 oktober 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 6 maart 2025 zijn er aanvullende gronden ingediend.
  • Op 28 oktober 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 25 maart 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Op 26 maart 2025 heeft UHT, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie aanvullende stukken toegestuurd. Op 2 april 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd. Als reactie hierop heeft UHT op 15 april 2025 en 22 april 2025 nadere stukken toegestuurd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT het toegekende definitieve compensatiebedrag van € 73.778 op juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten dat belanghebbende geen compensatie krijgt toegekend voor de toeslagjaren 2009, 2010, 2012, 2013 en 2014. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.

Compensatieberekening toeslagjaren 2011 en 2015
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat component a (de KOT voor de onterechte neerwaartse correctie) voor toeslagjaar 2015 onjuist is vastgesteld. Hetzelfde geldt voor component o (toeslagrente gemiste KOT) voor de jaren 2011 en 2015.
Omdat de bedragen die volgen uit de compensatieberekening in het voordeel van belanghebbende zijn, zal dit niet worden aangepast. Met betrekking tot de aanvangsdatum van de immateriële schadevergoeding stelt UHT zich op het standpunt dat de datum van 17 juni 2021 juist is gehanteerd. De onjuist gehanteerde einddatum van 29 augustus 2022 zal niet worden aangepast, nu dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande punten niet te volgen en zal daarom adviseren de bezwaren op dit punt ongegrond te verklaren.

De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, de compensatieberekening en de bestreden besluiten voldoende zijn onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad.
De door belanghebbende in dit verband opgeworpen bezwaren treffen dan ook geen doel.

Afgewezen toeslagjaren
Uit het ouderdossier volgt dat belanghebbende op 7 juli 2010 per 1 januari 2009 voor haar dochter (13-01-1994) KOT heeft aangevraagd. De KOT is in dit jaar niet toegekend, noch blijkt uit het dossier dat er kinderopvang is afgenomen. Belanghebbende heeft ter zitting van 25 maart 2025 ook bevestigd dat er in 2009 geen kinderopvang is geweest. In toeslagjaar 2010 heeft belanghebbende de KOT ook voor haar bovenstaande dochter aangevraagd. Bij beschikking van 22 juli 2010 is het voorschot van de KOT voor 2010 vastgesteld op € 5.473. Op 18 juli 2011 ontvangt B/T een antwoordformulier waarin door de bewindvoerder van belanghebbende wordt aangegeven dat er in het jaar 2010 geen gebruik is gemaakt van kinderopvang. Deze mededeling, in combinatie met de leeftijd van de dochter van belanghebbende, heeft ertoe geleid dat bij beschikking het voorschot van de KOT over 2010 op nihil is gesteld. Voorts volgt uit het ouderdossier dat in de jaren 2012, 2013 en 2014 er geen KOT is aangevraagd, toegekend dan wel is teruggevorderd.

De Commissie overweegt als volgt. Op grond van artikel 1.1, lid 1, sub b van de Wet kinderopvang heeft een ouder recht op KOT tot de 1e dag van de maand waarop het kind naar het voortgezet onderwijs gaat. Uit de aanvraag voor het jaar 2009 blijkt dat de dochter van belanghebbende ten tijde van de aanvraag de leeftijd van zestien jaar had bereikt, waardoor er geen recht op KOT bestond. Ditzelfde geldt voor toeslagjaar 2010. De Commissie heeft ook in de stelling van gemachtigde dat de aanvraag KOT in deze jaren voor het oudste kleinkind van belanghebbende zou zijn bedoeld en het feit dat er geen uitvraagbrieven zijn verstuurd naar aanleiding van de aanvragen KOT, geen aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen.

Ten aanzien van de jaren 2012 tot en met 2014 overweegt de Commissie dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht compensatie wordt toegekend aan de aanvrager van de KOT. UHT heeft in de systemen van de Belastingdienst geen aanvraag voor bovenstaande jaren kunnen terugvinden. Onder deze omstandigheid houdt de Commissie het er dan ook voor dat belanghebbende in deze jaren geen ‘aanvrager’ was in de zin van artikel 2.1, lid 1 Wht waardoor belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie. Daarbij merkt de Commissie met betrekking tot het toeslagjaar 2014 op dat uit de aanvullende schriftelijke reacties van UHT voldoende aannemelijk is geworden dat de brief op pagina 297 van het ouderdossier ziet op het Kindgebonden budget 2014 en niet op de KOT 2014 zoals zou volgen uit de stelling van gemachtigde. De Commissie adviseert UHT daarom om de bezwaren van belanghebbende op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren gericht tegen de besluiten van 26 augustus 2022 met de kenmerken UHT-DC I, UHT-DH5 A en UHT-DC I A ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter