Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15198

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 oktober 2023 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 11 juli 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 25 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de op 3 oktober 2023 door UHT genomen definitieve beschikking met kenmerk UHT-DCHOA. Hierbij is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 en 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 13 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is voor de jaren 2011 en 2012.
  • UHT heeft bij voorlopige beslissing van 5 september 2023 met kenmerk UHT-VCH A geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 en 2012.
  • Gemachtigde heeft op 20 september 2023 een zienswijze ingediend tegen deze voorlopige beslissing.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 3 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 en 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 23 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 7 juli 2025 heeft gemachtigde een nader stuk ingediend.
  • Op 11 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Persoonlijk dossier/equality of arms

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 23 september 2024 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Inhoudelijke bezwaren

De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen aangevoerde bezwaren, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie over de jaren 2011 en 2012 af te wijzen.

Beoordeling vooringenomen handelen door B/T
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T vooringenomen heeft gehandeld in de jaren 2011 en 2012.

De Commissie is van opvatting dat UHT terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van vooringenomen handelen in het jaar 2011. Uit het dossier volgt dat de neerwaartse bijstelling van de KOT in dit jaar het gevolg was van een wijziging van het toetsingsinkomen. Daarmee is sprake van een reguliere correctie. Het is niet aannemelijk geworden dat deze neerwaartse bijstelling het gevolg is van een vooringenomen handelwijze van B/T. Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T de voorschotbeschikkingen in het jaar 2011 mogelijk op een onjuist uurtarief heeft gebaseerd. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of (een onterechte kwalificatie) O/GS en in beginsel niet ziet op eventuele omissies in de vaststelling van KOT. Belanghebbende verzoekt in feite mede om een aanpassing van de hoogte van de KOT over 2011 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. UHT heeft echter niet de bevoegdheid om tot herziening van deze definitieve beschikking over te gaan, maar dient zich te beperken tot de kaders van de Wht.

De neerwaartse bijstelling van de KOT in het jaar 2012 was het gevolg van een stopzetting van de KOT – met DigiD - door belanghebbende per 1 juli 2012.
Dit duidt niet op een vooringenomen handelwijze van B/T. Het standpunt van belanghebbende dat zij niet zelf de KOT heeft stopgezet, maakt het voorgaande niet anders. Om een stopzetting van de KOT te kunnen doen, moet de aanvrager inloggen met haar persoonlijke DigiD-inloggegevens. Daarmee heeft de B/T willen bewerkstelligen dat alleen een rechthebbende op de KOT een dergelijke aanvraag kan indienen. Een DigiD biedt immers een persoonsgebonden ingang naar een digitaal portaal. Gemachtigde heeft ter zitting aangevoerd dat een derde mogelijk de KOT heeft stopgezet. Hoewel de Commissie niet uitsluit dat belanghebbende de DigiD-inloggegevens te goeder trouw met derden heeft gedeeld, is zij toch van opvatting dat het delen daarvan voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. Van een situatie van vooringenomenheid van de kant van B/T kan in dit geval niet worden gesproken. De Commissie adviseert UHT het bezwaar om die reden ongegrond te verklaren.

Beoordeling hardheidsregeling
Volgens belanghebbende is in het jaar 2012 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is betaald, terwijl vervolgens bedragen van meer dan € 1.500,- van belanghebbende zijn teruggevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Wanneer de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de KOI maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kan volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - sprake zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid (de zogenoemde ‘KOT naar KOI regeling’). Voor het aannemen van het bestaan van een dergelijke bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500,-is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500,-teveel is uitbetaald aan de KOI en niet ten goede aan belanghebbende is gekomen. De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening van de aan de KOI betaalde KOT en de werkelijke opvangkosten voor het jaar 2012 in het informatie- en beoordelingsformulier toegelicht (pagina 32 van het ouderdossier). Voor dit jaar is aannemelijk geworden dat het bedrag aan KOT dat aan de KOI is betaald, geheel ten goede is gekomen aan de genoten opvang. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel op grond van de KOT naar KOI regeling. De Commissie heeft ook in de door belanghebbende op 11 juli 2025 nader toegezonden productie geen aanleiding gezien om tot een ander advies te komen. Belanghebbende heeft met dit overzicht, bij gebreke van nadere onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt dat de KOT naar KOI regeling van toepassing is. De Commissie heeft in de stukken en in het verhandelde ter zitting ook geen aanleiding kunnen vinden om de opvatting te huldigen dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. De door belanghebbende op dit punt opgeworpen bezwaren treffen dan ook geen doel.

Belanghebbende betoogt verder dat zij voor compensatie wegens hardheid bij de toepassing van het stelsel in aanmerking behoort te komen, omdat B/T geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet bij de terugvordering van KOT over de jaren 2011 en 2012. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaar-procedure. De Commissie adviseert UHT dan ook om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Automatische continuering 2012
Belanghebbende stelt dat B/T onzorgvuldig heeft gehandeld door de KOT in het jaar 2012 automatisch te continueren. De Commissie overweegt dat op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Awir een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. De Commissie overweegt verder dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is om tijdig wijzigingen door te geven. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Verzoek herbeoordeling 2010
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ook het jaar 2010 had moeten worden meegenomen in de herbeoordeling, omdat ook over dit jaar sprake was van KOT. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de jaren 2011 en 2012. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT heeft nagelaten het jaar 2010 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit jaar (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de in de schriftelijke beschouwing gedane toezegging van UHT om dit jaar voor te leggen aan een persoonlijk zaakbehandelaar (PZB) om als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing, de overgelegde stukken en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Proceskostenvergoeding
Aangezien de Commissie zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter