BAC 2024-15193
Publicatiedatum 09-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 september 2023 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 7 augustus 2025 om 10:00 uur.
Overdracht advies aan UHT: 14 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 21 september 2023 met kenmerk UHT-DCHOA.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 t/m 2010. In overleg met belanghebbende zijn de jaren 2006, 2011 en 2012 aan het verzoek om herbeoordeling toegevoegd.
- UHT heeft bij beschikking van 5 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 21 september 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een bedrag aan compensatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 oktober 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 1 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Gemachtigde heeft op 4 augustus 2025 schriftelijk het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 6 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Op 7 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 7 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
13 augustus 2025 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Motiveringsgebrek en schending andere abbb’s
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor zover de bestreden beschikkingen onvoldoende zorgvuldig waren voorbereid en gemotiveerd kan dat aan de hand van wat daarover is opgemerkt in de beschouwing worden hersteld in de beslissing op bezwaar.
Persoonlijk dossier/onvolledig dossier/Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de benodigde documenten beschikt.
De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de LIC-overzichten en het informatie- en beoordelingsformulier, zijn op 3 april 2025 aan gemachtigde gezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Automatische continuatie van KOT
Belanghebbende betoogt dat de bepaling van haar KOT op de basis van automatische continuatie als onzorgvuldig moet worden beschouwd. Volgens belanghebbende mocht van B/T worden verwacht dat extra waarborgen worden ingebouwd om liquiditeitsproblematiek wegens terugbetalingen en latere verrekeningen van eerder toegekende KOT te voorkomen.
De Commissie overweegt als volgt. De Commissie begrijpt dat de inrichting van het toeslagensysteem als zodanig voor vervelende ervaringen heeft gezorgd aan de zijde van belanghebbende. In deze bezwaarprocedure wordt echter uitsluitend getoetst of belanghebbende recht heeft op compensatie op basis van de Wht. De onderhavige bezwaarprocedure ziet niet op de toetsing van de wijze waarop het toeslagensysteem is ingericht. Het bezwaar kan daarom op dit punt niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.
Beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat B/T over de desbetreffende toeslagjaren geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
KOT naar KOI en betalen eigen bijdrage
Belanghebbende stelt dat zij over de toeslagjaren 2009 en 2010 aanspraak maakt op een bedrag aan compensatie op grond van hardheid. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat “de KOT naar KOI regeling” van toepassing is. Zij betoogt dat sprake is van een terugvordering of verlaging van meer dan € 1.500 en dat weliswaar niet minimaal € 1.500 teveel aan KOT (ten opzichte van de opvangkosten) aan de KOI is overgemaakt, maar dat rekening moet worden gehouden met de door belanghebbende betaalde eigen bijdrage – en dat met het meetellen van de eigen bijdrage wel aan het drempelbedrag van € 1.500 wordt gekomen dat teveel aan de KOI zou zijn overgemaakt.
UHT neemt het standpunt in dat de eigen bijdrage geen rol speelt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van recht op hardheid op grond van de KOT naar KOI regeling. De eigen bijdrage die belanghebbende zelf aan de kinderopvanginstelling heeft voldaan, is geen geld dat door B/T is uitgekeerd, en dus ook geen geld dat door B/T is teruggevorderd. Om deze reden maakt het wel of niet betalen van de eigen bijdrage geen onderdeel uit van deze toets.
De Commissie oordeelt als volgt. Een belanghebbende heeft aanspraak op een bedrag aan compensatie wegens hardheid indien sprake is van een terugvordering of verlaging in KOT van minimaal € 1.500 en daarnaast sprake is van bijzondere omstandigheden Volgens vaste uitvoeringspraktijk – zoals opgenomen in 2.3.6. van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT (hierna: Handboek Vaktechniek) – kan onder meer sprake zijn van bijzondere omstandigheden indien ten minste € 1.500 teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en dit bedrag niet aan belanghebbende ten goede is gekomen. Het gaat in zoverre dus om een beleidsmatige nadere invulling van de hardheidsregeling. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze uitvoeringspraktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.
De voornoemde afdeling 2.3.6. van het Handboek Vaktechniek bepaalt dat de aan de KOI uitbetaalde KOT in mindering moet worden gebracht op de daadwerkelijke kosten van opvang (dat zijn de kosten die deels ook met de eigen bijdrage zijn voldaan). De Commissie is van oordeel dat - gezien de desbetreffende afdeling van het Handboek Vaktechniek - niet is gebleken dat de eigen bijdrage(n) van ouder, UWV of gemeente eerst in mindering moeten worden gebracht op de daadwerkelijke kosten van opvang. De KOI had immers recht op dat bedrag (inclusief eigen bijdrage) en heeft dat dus niet te veel ontvangen.
Afdeling 2.3.6. van het Handboek Vaktechniek bepaalt verder dat als er omstandigheden zijn waaronder strikte toepassing van dit stappenplan leidt tot een onevenredige uitkomst, kan worden afgeweken van een strikte toepassing. Niet, althans onvoldoende, is vast komen te staan dat in casu sprake is van dergelijke omstandigheden. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende over de toeslagjaren 2009 en 2010 niet in aanmerking komt voor een bedrag aan compensatie op grond van hardheid. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Toeslagjaren 2006 en 2008
De Commissie constateert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet is gebleken van neerwaartse correcties in de KOT over de toeslagjaren 2006 en 2008.
Het is dus niet aannemelijk dat belanghebbende over deze toeslagjaren schade heeft geleden. Daarom komt belanghebbende niet in aanmerking voor een bedrag aan compensatie op grond van de Wht over de desbetreffende toeslagjaren.
Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Toeslagjaren 2007 en 2009 t/m 2012
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor de toeslagjaren 2007 en 2009 t/m 2012. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007, 2009, 2010, 2011 en 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties in KOT over deze toeslagjaren waren gelegen in veranderingen in het toetsingsinkomen van belanghebbende en in stopzettingen van de KOT over de respectieve toeslagjaren door belanghebbende zelf. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Zie hiervoor ook de voornoemde overwegingen omtrent de KOT naar KOI regeling.
Belanghebbende heeft verder betoogd dat haar ten onrechte een betalingsregeling is geweigerd. De Commissie acht het uit de voorhanden zijnde stukken niet aannemelijk dat een dergelijke betalingsregeling aan belanghebbende is geweigerd. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ten slotte dient hier nog vermelding dat belanghebbende naar aanleiding van de door UHT op 7 augustus 2025 toegestuurde overzichten erop heeft gewezen dat op 5 september 2007 een betaling van € 49 is gedaan aan B/T vanaf een haar onbekend rekeningnummer. Belanghebbende verzoekt om opheldering van deze betaling en de herkomst hiervan. De Commissie adviseert UHT belanghebbende in de beslissing op bezwaar van een antwoord op deze vraag te voorzien.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikking, bestaat geen aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter