BAC 2024-15180
Publicatiedatum 09-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 30 mei 2023 (UHT-DCHA, UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 24 april 2025
Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten in stand te laten.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaren zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen beoordeling kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een tegemoetkoming O/GS toegekend voor een bedrag van € 2.976 voor het jaar 2012. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot €30.000.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 en 2011. In overleg met belanghebbende is dit verzoek later aangepast in een verzoek om herbeoordeling van de jaren 2011 en 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 16 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij vooralsnog niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de integrale herbeoordeling nog niet klaar is.
- UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 30 mei 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij over de jaren 2011 en 2012 geen recht heeft op een vergoeding.
- UHT heeft bij bestreden definitieve beschikking van 30 mei 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een tegemoetkoming O/GS toegekend ten bedrage van € 2.976. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 11 januari 2024 tegen de bestreden beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 5 september 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaren.
- Op 24 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
Motiveringsgebrek en schending andere abbb’s
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikkingen onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende zijn gemotiveerd. De Commissie overweegt hierover als volgt.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende voert aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 25 februari 2025 aan gemachtigde toegestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende genoegzaam kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het gehele persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het onderhavige bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over het volledige dossier.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen, en daarvan gebruik gemaakt om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de verrekening van de terugvorderingen met de van belanghebbende geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet. UHT heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken.
De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot uitbreiding van de beslagvrije voet is dat een bewuste keuze geweest die vooral gelegen is in het feit dat de KOT in zijn aard wezenlijk verschilt van de overige toeslagen. De KOT is namelijk juist gericht op de bevordering van arbeidsparticipatie, terwijl de overige toeslagen (huur- en zorgtoeslag, kindgebonden budget) een duidelijk inkomensondersteunend karakter hebben. De Commissie is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2011 en 2012
Belanghebbende betoogt dat het voor haar niet inzichtelijk is waarom zij over de toeslagjaren 2011 en 2012 geen aanspraak kan maken op compensatie. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing van 5 september 2024 toegelicht dat over het toeslagjaar 2011 geen sprake is geweest van neerwaartse correcties. Voorts stelt UHT dat uit het ouderverhaal van belanghebbende blijkt dat zij over het toeslagjaar 2012 geen studie meer volgde en dat derhalve sprake is van evident geen recht op KOT. Doordat belanghebbende geen doelgroeper was in het toeslagjaar 2012, bestaat voor dit toeslagjaar geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen.
De Commissie overweegt hierover als volgt. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2011 is de Commissie van oordeel dat niet is gebleken van terugvorderingen of neerwaartse correcties KOT. UHT is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat over het toeslagjaar 2011 geen recht bestaat op compensatie op grond van de Wht.
Voor wat betreft het toeslagjaar 2012 ziet de Commissie geen aanleiding om UHT niet te volgen in haar stelling dat sprake is van evident geen recht op KOT. Belanghebbende heeft, daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld, geen stukken ingebracht die aannemelijk maken dat zij gedurende het toeslagjaar 2012 nog een opleiding volgde.
Daarnaast heeft UHT in haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 9 mei 2025 te kennen gegeven dat uit de haar ter beschikking zijnde gegevens blijkt dat belanghebbende uitsluitend in het jaar 2015 studiefinanciering heeft genoten.
De Commissie is van oordeel dat – de voornoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien – het niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende gedurende het toeslagjaar 2012 als doelgroeper kan worden aangemerkt.
De Commissie is daarom van oordeel dat geen recht bestaat op compensatie over het toeslagjaar 2012. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Beoordeling overige toeslagjaren
Gemachtigde heeft in de onderhavige bezwaarprocedure aangevoerd dat de toeslagjaren 2013 t/m 2016 ten onrechte geen onderdeel uitmaken van de herbeoordeling. Belanghebbende stelt dat dit had moeten gebeuren, omdat ook over deze toeslagjaren sprake was van afname van kinderopvang. Gemachtigde heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 9 mei 2025 te kennen gegeven dat belanghebbende de voornoemde toeslagjaren alsnog herbeoordeeld wenst te zien. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikkingen de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de toeslagjaren 2013 t/m 2016 (alsnog) in haar advisering te betrekken. Het bezwaar kan op dit onderdeel niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, bestaat geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter