Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15163

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 oktober 2023 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 9 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 7 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en conform de tweede aanvullende beschouwing van 14 februari 2025 een extra bedrag aan belanghebbende toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van €2.417,-. Ook is een vergoeding toegekend van € 594,- voor de kosten van het voeren van de procedure bij CWS.

In de tweede aanvullende beschouwing van 14 februari 2025 heeft UHT een extra aanvullende schadevergoeding aan belanghebbende toegezegd van € 8.080,-.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 mei 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Het toeslagjaar 2008 is herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 21 januari 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 18.278, aangevuld tot € 30.000,-voor toeslagjaar 2008.
  • Belanghebbende heeft op 7 maart 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Hij werd bijgestaan door zijn toenmalige gemachtigde.
  • De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 juli 2023 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van €2.417,- en een vergoeding van € 594,- voor de kosten van het voeren van de procedure bij CWS.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 10 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft zich op 15 mei 2024 als gemachtigde van belanghebbende gesteld.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 april 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 23 mei 2024 en op 14 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Bij aanvullende beschouwing toegezonden op 3 april 2025 heeft UHT twee ontbrekende bijlagen overgelegd.
  • Op 9 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid - naast de (deels) forfaitaire compensatie - ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECUI:NU:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM.

Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS.

Integrale beoordeling

De Commissie stelt vast dat UHT na de integrale beoordeling bij beschikking van 21 januari 2022 aan belanghebbende een compensatie heeft toegekend voor een bedrag van € 18.278, aangevuld tot € 30.000,- voor toeslagjaar 2008. De problemen met de KOT begonnen op 26 september 2012. Op die datum ontving belanghebbende van B/T een brief met het bericht dat de KOT over 2008 op nihil zou worden gesteld. Op 11 oktober 2012 heeft B/T de KOT op nihil gesteld. Belanghebbende moest een bedrag van € 5.577,- aan KOT terugbetalen. In de periode van 23 december 2013 tot en met 1 november 2016 heeft belanghebbende in totaal € 5.929,- voldaan. Daarbij heeft B/T dwangverrekening toegepast.

De Commissie zal hieronder de diverse aangevoerde schadeposten bespreken.

Vervangende opvangkosten (2008, 2009 en 2010)

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van een bedrag van € 200.000,- aan vervangende opvangkosten.

Er is in het bestreden besluit geen vergoeding voor vervangende opvangkosten aan belanghebbende toegekend op basis van het advies van CWS omdat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende over de periode van 1 juni 2008 tot en met 2009 recht had op KOT. Dit is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor vergoeding van vervangende opvangkosten. Belanghebbende heeft de KOT stopgezet per 1 juni 2008 (productie 21) vanwege ziekte van zijn partner. Zij werkte volgens hem ook in het jaar 2009 niet door ziekte. CWS heeft niet kunnen achterhalen of de partner van belanghebbende in de jaren 2008 en 2009 nog in dienst was van een werkgever. Belanghebbende heeft daarover niets aangegeven, ook niet of sprake was van een eigen bedrijf of werk als zzp-er waarbij de partner niet kon werken door ziekte.

CWS vindt niet aannemelijk geworden dat eventuele kosten voor vervangende opvang over 2010 te wijten zijn aan de problemen met de KOT. Daarom komen ook deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Dat belanghebbende in 2011 op de hoogte werd gebracht van het FIOD-onderzoek naar gastouderbureau X verklaart niet waarom hij in 2010 geen KOT durfde aan te vragen. Ook begrijpt CWS niet waarom belanghebbende in 2010 zou moeten vrezen voor discriminatie. De problemen voor de ouder zelf begonnen pas in september 2012. CWS ziet dan ook geen verband tussen het niet aanvragen van KOT in 2010 en de problemen met de KOT.

Ten aanzien van de overige jaren stelt CWS zich op het standpunt dat belanghebbende onvoldoende heeft toegelicht en informatie heeft verstrekt om aannemelijk te vinden dat er noodzaak was voor vervangende opvang en dat daarvoor kosten zijn gemaakt. CWS wijst er daarbij op dat de partner van belanghebbende vanaf 2010 tot begin april 2015 ruim € 10.000,- verdiende op jaarbasis (productie 13), waardoor zeer waarschijnlijk is dat zij parttime werkte. Alleen de jongste dochter kwam vanaf 2011 tot de zomer van 2016 eventueel in aanmerking voor kinderopvang in de vorm van BSO.

De Commissie vindt het advies van CWS en de daarop gebaseerde beschikking van UHT op dit punt navolgbaar.

Verletdagen en reiskosten voor regelzaken

Belanghebbende heeft verzocht om een bedrag van € 4.000,- aan vergoeding voor reiskosten en kosten van vrije dagen.

CWS heeft geadviseerd om aan reiskosten € 144,- te vergoeden en € 450,- voor verletdagen, in totaal een bedrag van € 594,-.

In de aanvullende beschouwing van 14 februari 2025 is aan belanghebbende een bedrag van € 500,- toegekend voor verletdagen en reiskosten voor regelzaken op basis van het nieuwe schadekader. Dit bedrag bestaat uit € 300,- per toeslagjaar waarvoor belanghebbende compensatie heeft gekregen, dus een bedrag van €300,- voor toeslagjaar 2008. Daarnaast heeft UHT belanghebbend ambtshalve een vergoeding toegekend van € 200,- voor de door belanghebbende gevoerde bezwaarprocedure over de KOT-beschikking voor 2008.

De Commissie adviseert UHT om uit te gaan van het door CWS geadviseerde (hogere) bedrag van € 594,-. De berekening hiervan is niet gemotiveerd betwist door belanghebbende. De toegekende vergoeding wordt geheel verrekend met de vergoeding voor materiële schade toegekend na de integrale beoordeling van €1.672,- dus dit leidt niet tot een nabetaling.

Het voeren van de procedure bij CWS

Op grond van het nieuwe schadekader wordt per huishouden een ambtshalve vergoeding van € 500,- toegekend voor de tijd die ouders kwijt zijn aan de procedure bij CWS. Dit bedrag komt niet tot uitbetaling omdat belanghebbende in het bestreden besluit hiervoor al een (hogere) vergoeding van € 594,- heeft ontvangen. Dat komt de Commissie juist voor.

Verlies aan inkomen partner

Belanghebbende heeft een bedrag van € 270.000,- gevraagd als vergoeding voor het verlies van het inkomen van zijn partner door haar medische toestand die verergerd is door het handelen van B/T. Hij verzoekt om vergoeding van het inkomensverlies vanaf 1 juni 2008 dan wel vanaf het verlies van haar baan in 2013; een bedrag van € 2.000,- per maand. Belanghebbende betoogt in zijn aanvullende bezwaargronden dat zijn partner door de toeslagenaffaire medische problemen heeft ontwikkeld waardoor zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt. Haar verlies aan verdiencapaciteit is een direct gevolg van de financiële en emotionele gevolgen van de affaire. Hiervoor is ten onrechte geen vergoeding toegekend.

UHT heeft geen vergoeding toegekend voor het inkomensverlies van de partner omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er inkomensverlies is of is geleden en dat dat is veroorzaakt door problemen met de KOT.

De inkomensschade is niet aannemelijk geworden en CWS ziet geen verband tussen de gestelde inkomensschade door ontslag en/of medische problemen van de partner en de problemen met de KOT.

Uit de inkomensgegevens van B/T blijkt dat anders dan belanghebbende aangeeft, de partner tot april 2015 salaris uit dienstverband heeft ontvangen. Dit verhoudt zich niet met het door belanghebbende gestelde ontslag van de partner in 2013.

Uit de stukken blijkt dat de partner van belanghebbende in november 2013 is gestart met behandeling voor medische klachten. Tijdens het toelichtingsgesprek heeft zij aangegeven dat dit gaat om dezelfde klachten als in 2008, toen zij ziek is uitgevallen en stopte met werken. De eerste nihilstelling van de KOT over 2008 vond pas plaats in september 2012, waardoor niet aannemelijk is dat de klachten, zoals die zich in 2008 voordeden en die zich kennelijk nadien herhaalden, verband houden met de kinderopvangtoeslagproblematiek.

De Commissie vindt het advies van CWS en de daarop gebaseerde besluitvorming van UHT op dit punt navolgbaar; dat sprake is geweest van inkomensverlies veroorzaakt door de problemen met de KOT is niet aannemelijk geworden.

Studiekosten wegens studievertraging

Belanghebbende heeft gevraagd om vergoeding van een bedrag van € 3.000,- aan studiekosten vanwege studievertraging. Dit gaat om de bijles die zijn middelste kind in groep 7 en groep 8 heeft gehad (2007, 2008 en/of 2009).

UHT heeft hiervoor geen vergoeding toegekend omdat er in de periode 2007/2008 en mogelijk in 2009 nog geen problemen waren met de KOT. Ook was er in deze periode nog geen onderzoek gestart bij het gastouderbureau X. Belanghebbende heeft overigens geen stukken overgelegd waaruit blijkt wat de kosten zijn geweest van de bijles.

De Commissie acht dit navolgbaar.

Overige vermogensschade

Belanghebbende vindt dat hem een bedrag van € 72.845,20 aan overige vermogensschade toekomt. Hij wijst op de afkoop van zijn levensverzekering (€43.276,39) op 19 november 2018, een lening van € 24.732,55 aangegaan bij verzekeringsmaatschappij X op 14 februari 2012 en overgesloten op 12 september 2019 naar verzekeringsmaatschappij Y en een schuld van € 4.836,26 bij Wehkamp voor bestellingen in de periode 1 december 2012 tot en met 25 december 2018.

UHT heeft hiervoor geen vergoeding toegekend omdat er volgens UHT, in navolging van het advies van CWS, geen causaal verband is tussen het aangaan van de lening in februari 2012 en de problemen met de KOT; pas op 11 oktober 2012 ontving belanghebbende bericht dat hij een bedrag van € 5.577,- moest terugbetalen en vanaf december 2013 is hij gaan terugbetalen. De schuld aan B/T was in november 2016 volledig voldaan; het krediet is in 2019 pas overgesloten naar verzekeringsmaatschappij Y.

Met CWS volgt UHT niet de redenering dat bovenop het aangaan van een forse lening, ook nog de levensverzekering diende te worden afgekocht om de KOT terug te betalen. De volledige lening dekte al ruimschoots de totale schuld aan B/T. Voor het terugbetalen van de schuld aan B/T is belanghebbende al gecompenseerd in de definitieve compensatiebeschikking.

Ook vindt UHT, met CWS, niet aannemelijk dat belanghebbende de leningen is aangegaan en de levensverzekering heeft afgekocht als gevolg van de problemen met de KOT.

Daarnaast is het uitgangspunt van het Beleidskader materiële schade dat leningen geen schade opleveren. Tegenover een lening staat een geldbedrag dat een ouder kan gebruiken voor bestedingen en uitgaven die aan de ouder ten goede zijn gekomen. Nu er geen causaal verband is tussen het aangaan van de lening en de problemen met de KOT, komen de kosten van de lening ook niet voor vergoeding in aanmerking. Dit geldt ook voor de rente en kosten van de schuld bij Wehkamp. Deze houdt geen verband met de problemen met de KOT, maar met het wegvallen van de baan van de partner van belanghebbende, aldus UHT.

De Commissie acht dit navolgbaar en stelt vast dat bovenstaande niet gemotiveerd is betwist door belanghebbende.

Immateriële schade

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 455.000,-; € 155.000 voor zichzelf en € 300.000,- voor de drie kinderen. Hij stelt dat de toeslagenaffaire heeft geleid tot verlies van vertrouwen in de overheid, wat dagelijks effect heeft op het welzijn van zijn gezin. Een ander gevolg is chronische stress en psychische schade, waarvoor medische behandeling is vereist. Hij verwijst daarvoor naar een verklaring van de psycholoog van 3 april 2025.

UHT heeft op basis van het nieuwe schadekader CWS per 1 juli 2024 een bedrag aan vergoeding van immateriële schade toegekend van € 28.800,-. De vergoeding voor immateriële schade die is toegekend in de integrale beoordeling is daarop in mindering gebracht. Het subtotaal van de aanvullende vergoeding voor immateriële schade is daarom € 22.115,-. CWS had geadviseerd om een vergoeding van € 20.800,- toe te kennen; verminderd met de vergoeding voor immateriële schade die is toegekend na de integrale beoordeling was dat €14.115,-. Belanghebbende krijgt dus € 8.000,- meer. Daarbovenop komt nog de standaard 1% verhoging die hoger uitvalt; € 104,- in plaats van € 23,93, dus €80,07 meer. Belanghebbende heeft daardoor een extra vergoeding van € 8.080,- ontvangen.

De extra vergoeding voor immateriële schade is als volgt samengesteld.

Bouwsteen A: aantasting van de persoon, van de eer en goede naam

Voor de factoren van deze bouwsteen was een vergoeding toegekend van €5.000,-. Op basis van het aangepaste schadekader ziet UHT ruimte om voor dezelfde factoren:

  1. sociale impact
  2. terugbetaling KOT
  3. tijdsduur kinderopvangtoeslagschuld
  4. dwangverrekeningen en
  5. het voeren van bezwaarprocedures

een bedrag van € 7.500,- toe te kennen.

Daarnaast ziet UHT op basis van alle feiten en omstandigheden die bekend zijn ten tijde van de aanvullende beschouwing reden om € 3.000,- voor belanghebbende en zijn toeslagpartner extra toe te kennen voor de factoren:

  • moeilijke langdurige financiële omstandigheden en
  • aangetast gevoel van eigenwaarde.

Voor de motivering verwijst UHT naar het advies van CWS.

Bouwsteen B: Gezinssamenstelling

Hiervoor was een vergoeding toegekend van € 4.500,- voor de drie kinderen. Op basis van het nieuwe schadekader ziet UHT ruimte om de vergoeding te verhogen naar € 6.750,- (3 x € 2.250,-).

Bouwsteen C: Het inkomen van de ouders in relatie tot de teruggevorderde KOT Hiervoor was een vergoeding toegekend van € 300,-, dit is aan de hand van het nieuwe schadekader opnieuw berekend en wordt € 500,-.

Bouwsteen D: onterecht geen recht op KOT

Voor deze bouwsteen was geen vergoeding toegekend, dat verandert niet. UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in juni 2008 zelf de KOT heeft stopgezet (productie 21) voordat de problemen met de KOT begonnen. Belanghebbende heeft aangegeven dat hij in 2011 op de hoogte werd gebracht van een FIOD-onderzoek. UHT acht op grond daarvan niet aannemelijk dat belanghebbende in 2010 geen KOT heeft durven aanvragen.

Bouwsteen E: De stressvolle jaren vanaf de eerste negatieve KOT beschikking

Hiervoor was al een vergoeding toegekend van € 11.000,-, dat blijft hetzelfde omdat de periode van berekening hetzelfde blijft; van 26 september 2012 tot aan 21 juli 2023. Dat zijn 22 halve jaren, waarvoor per half jaar een vergoeding van €500,- geldt.

De Commissie stelt vast dat voor de factor 'Medische component' van Bouwsteen A geen vergoeding is toegekend. Naar de Commissie meent heeft UHT hiervoor ook geen aanleiding hoeven zien in de overgelegde informatie van de psycholoog van 3 april 2025, die overeenkomt met de al eerder verstrekte informatie van 25 februari 2022. De medische informatie ziet op de partner van belanghebbende. CWS vindt het verband tussen de medische problemen van de partner en de problemen met de KOT niet aannemelijk geworden. Uit de stukken blijkt dat de partner van belanghebbende in november 2013 is gestart met behandeling voor medische klachten. Tijdens het toelichtingsgesprek heeft zij aangegeven dat dit gaat om dezelfde klachten als in 2008, toen zij ziek is uitgevallen en stopte met werken. De eerste nihilstelling van de KOT over 2008 vond plaats in september 2012. Dat betekent dat de klachten zijn ontstaan voordat de problemen met de KOT begonnen, waardoor het niet aannemelijk is dat de klachten verband houden met de kinderopvangtoeslagproblematiek. Dit volgt de Commissie.

Naar de Commissie meent, is het verband tussen de medische problemen van de partner van belanghebbende en de problemen met de KOT met de overgelegde informatie van Indigo van 3 april 2025 niet alsnog aannemelijk geworden omdat het causale verband ook hieruit niet blijkt.

Dwangverrekeningen

Belanghebbende verzoekt om volledige terugbetaling van de bedragen die hij met dwang moest terugbetalen.

De Commissie overweegt dat belanghebbende met de definitieve compensatiebeschikking is gecompenseerd over het bedrag aan KOT dat hij ten onrechte heeft moeten terugbetalen over toeslagjaar 2008. Voor de dwangverrekeningen is in de huidige procedure een bedrag aan vergoeding voor immateriële schade toegekend, dat naar aanleiding van het nieuwe schadekader is verhoogd.

Fraude Signalering Voorziening (FSV)

Belanghebbende betoogt dat hij zonder rechtvaardiging is opgenomen in de FSV-lijst, waardoor zijn toeslagen onterecht zijn stopgezet en hij als fraudeur is behandeld. Het gevolg hiervan was reputatieschade, financiële uitsluiting en psychisch leed. Belanghebbende eist hiervoor een schadevergoeding van €200.000,-.

De Commissie overweegt dat een apart tegemoetkomingsbeleid is gemaakt voor de personen die gevolgen hebben ondervonden van hun FSV-registratie. De Commissie stelt naar aanleiding van de hoorzitting vast dat belanghebbende een bericht heeft gekregen over zijn FSV-registratie en dat hij bezwaar heeft gemaakt. Naar de Commissie meent, speelt de FSV-registratie in deze procedure reeds daarom geen rol.

Conclusie

De Commissie meent dat UHT zich in het bestreden besluit heeft kunnen baseren op het advies van CWS. De Commissie kan zich eveneens vinden in de aanvulling hierop in de tweede aanvullende beschouwing van 14 februari 2025 en zal UHT adviseren conform deze beschouwing te beslissen in de beschikking op bezwaar. Omdat een extra aanvullende schadevergoeding is toegekend en dit leidt tot herroeping van het primaire besluit, zal de Commissie UHT adviseren om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Hoewel het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, is de wijziging naar de Commissie meent alleen het gevolg van de wijziging van het beleid van CWS. Gelet daarop is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om conform de beschouwing van 14 februari 2025 in de beschikking op bezwaar een extra bedrag aan belanghebbende toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter