Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-15083

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 2 juni 2023 (UHT-DCHA & UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 24 april 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 21 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen beoordeling kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen vergoeding toegekend over de toeslagjaren 2010 en 2011. Aan belanghebbende is een tegemoetkoming van € 2.663,- toegekend wegens een onterechte kwalificatie O/GS over de toeslagjaren 2010 en 2011. Dit bedrag is aangevuld tot € 30.000,- op basis van de Catshuisregeling.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 18 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 en 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 17 december 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij vooralsnog niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-, maar dat de integrale beoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij beschikking van 2 juni 2023, met kenmerk UHT-DCHA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2010 en 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 2 juni 2023, met kenmerk UHT-O OGS B, aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een tegemoetkoming van €2.663 wegens een onterechte kwalificatie O/GS over de toeslagjaren 2010 en 2011. Dit bedrag is aangevuld tot € 30.000,- op basis van de Catshuisregeling.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 13 juli 2023, ingekomen op 21 juli 2023, bezwaar ingediend tegen de beschikkingen van 2 juni 2023 met kenmerken UHT-DCHA en UHT-O OGS B.
  • UHT heeft op 21 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 24 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft op 24 april 2025 aanvullende stukken ingediend. Gemachtigde heeft hier op 12 mei op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Compleetheid dossier en motivering besluit

Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe UHT tot de afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2010 en 2011 en het tegemoetkomingsbedrag van € 2.663 is gekomen. Belanghebbende merkt daarbij op dat zij niet het volledig dossier heeft ontvangen en verzoekt specifiek om de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) en het informatie- en beoordelingsformulier.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van de verzochte LIC-overzichten, het informatie- en beoordelingsformulier, SAS-overzichten en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces

Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van 'equality of arms', zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over zijn volledige dossier.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 25 februari 2025 en aanvullende stukken op 24 april 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt verder uiteen te zetten. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Recht op compensatie over de toeslagjaren 2010 en 2011

Belanghebbende stelt dat zij over de toeslagjaren 2010 en 2011 wel geregistreerde kinderopvang heeft genoten en om die reden recht heeft op compensatie. Zij stelt dat zij opvang heeft genoten bij BSO X te Rotterdam.

UHT stelt dat geen aanwijzingen in het dossier aanwezig zijn dat belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011 geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen en komt tot de conclusie dat hierom geen recht op compensatie bestaat. De Commissie ziet in het dossier en de aanvullende reactie van belanghebbende, buiten de in deze aanvullende reactie genoemde naam van de kinderopvangorganisatie geen enkele aanwijzing dat geregistreerde kinderopvang is afgenomen door belanghebbende. De Commissie concludeert om deze reden dat juist is vastgesteld dat geen recht op compensatie bestaat over de toeslagjaren 2010 en 2011. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet

Belanghebbende stelt dat B/T bij terugvorderingen over de toeslagjaren 2010 en 2011 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel. UHT stelt dat B/T op grond van artikel 30 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) bevoegd is om toeslagen, waaronder de KOT, met elkaar te verrekenen. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Terugvordering over toeslagjaar 2010

Belanghebbende stelt dat op het LIC-overzicht van toeslagjaar 2010 valt te lezen dat op 11 maart 2014 het restant op de vordering KOT over 2010 oninbaar geleden was met de beschrijving 'niet verder bemoeilijken'. Uit de omschrijving 'oninbaar geleden' maakt de Commissie op dat B/T de invordering van de schuld heeft gestaakt. Belanghebbende stelt dat de betalingen die na deze datum door haar zijn gedaan, rechtmatig waren en dat B/T deze in mindering kon brengen op de hoofdsom. Volgens belanghebbende is het dwangmatig hervatten van de invordering na enkele jaren buiten alle proporties met ernstige en onredelijke gevolgen.

De Commissie overweegt dat de omschrijvingen 'oninbaar geleden', oftewel staking van de invordering, en 'niet verder bemoeilijken' niet betekenen dat de openstaande vordering is kwijtgescholden. B/T mag na deze conclusie invorderingsmaatregelen blijven instellen. Het toepassen van wettelijke invorderingsmaatregelen is op zichzelf niet disproportioneel of onredelijk. Belanghebbende heeft geen bijzondere omstandigheid aannemelijk gemaakt die leidt tot de conclusie dat de invordering wel disproportioneel of aannemelijk was. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Automatische continuering

Belanghebbende stelt dat de wijze waarop B/T om is gegaan met de automatische continuatie van de KOT onzorgvuldig was. Zij stelt daarbij dat onvoldoende waarborgen in het systeem zijn ingebouwd, waardoor betalingsproblemen hebben kunnen ontstaan bij terugvorderingen over eerdere toeslagjaren. Dit was het geval bij belanghebbende over het toeslagjaar 2011. Volgens belanghebbende had van B/T verwacht mogen worden dat de KOT alleen automatisch verlengd wordt als daarvoor aanwijzingen zijn in de KOI-viewer en dat deze gegevens als basis dienen voor de berekening van het voorschot.

De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoer gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Hoogte van de O/GS-tegemoetkoming

Belanghebbende stelt dat zij meer KOT heeft moeten terugbetalen over de toeslagjaren 2010 en 2011 dan het bedrag waarop de O/GS-tegemoetkoming is gebaseerd.

UHT heeft toegelicht dat de O/GS-tegemoetkoming op grond van artikel 2.6. van de Wht 30 procent van het teruggevorderde bedrag aan KOT bedraagt, waarvoor belanghebbende geen persoonlijke betalingsregeling heeft kunnen treffen. UHT heeft met stukken onderbouwd dat het over toeslagjaar 2010 gaat om een bedrag van € 8.210 aan KOT en over toeslagjaar 2011 gaat om een bedrag van € 665 aan KOT. Samen komt dit neer op € 8.875; 30 procent van dit bedrag komt (afgerond naar boven) neer op € 2.663. Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT op een juiste wijze uitvoer gegeven aan de Wht en de O/GS-tegemoetkoming op een juiste wijze berekend. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerken UHT-DCHA en UHT-O OGS B af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DCHA en UHT-O OGS B, ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter