BAC 2023-15070
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 februari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 12 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 5 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskosten-vergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 en 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2009.
In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek gewijzigd naar de jaren 2013 en 2014. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2013 en 2014.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013 en 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 maart 2023, ingekomen op 29 maart 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 juli 2023, ingekomen op 14 juli 2023, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 22 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 12 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft op 3 april 2026 de aanvullende stukken, waarover zij tijdens de hoorzitting sprak, aan de Commissie doen toekomen.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 30 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Deze nadere schriftelijke reactie is door de Commissie aan gemachtigde doen toekomen op 30 april 2026 met een termijn van 2 weken om daarop te reageren. Gemachtigde heeft niet gereageerd.
De Commissie gaat daarom over tot advisering op basis van de stukken in het dossier. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Dossier
Belanghebbende verzoekt om toezending van het dossier en stelt dat de compensatieberekening ontbreekt bij het bestreden besluit. De Commissie overweegt het volgende. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Daarnaast is er geen sprake van een compensatieberekening, nu belanghebbende in het bestreden besluit niet is aangemerkt als gedupeerde en zij daarom geen compensatie heeft ontvangen.
Motivering en zorgvuldigheid
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan.
Toeslagjaren 2013 en 2014
- Vooringenomenheid
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Belanghebbende heeft op
24 september 2014 op een door haar ondertekend antwoordformulier aangekruist dat er in het jaar 2013 geen gebruik is gemaakt van opvang. Op basis van deze informatie heeft B/T op 13 maart 2015 een nihilbeschikking uitgestuurd. B/T mocht naar het oordeel van de Commissie op de informatie uit het antwoord-formulier vertrouwen. Het betreft een reguliere wijziging. Belanghebbende heeft er tijdens de hoorzitting bij de Commissie op gewezen dat zij door de terugvordering betalingsproblemen kreeg. De Commissie betreurt dit, maar oordeelt dat dit geen afbreuk doet aan het reguliere karakter van de door belanghebbende doorgegeven wijziging. De Commissie acht van belang dat de KOT volgens het betaal- en verrekenoverzicht werd overgemaakt op het rekeningnummer van belanghebbende. Zodra B/T nieuwe informatie ontving van belanghebbende, naar aanleiding van haar bezwaar, heeft B/T weer KOT toegekend over de periode van
3 januari tot en met 15 mei 2013. De Commissie acht het handelen van B/T voor toeslagjaar 2013 niet vooringenomen en de aanpak van B/T van de gevolgen van de situatie die was ontstaan door het onjuist invullen van het antwoordformulier getuigt niet van hardheid bij de toepassing van de wettelijke regelingen.
De Commissie constateert dat B/T voor het toeslagjaar 2014 wel vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft dit ook erkend in haar beschouwing en tijdens de hoorzitting bij de Commissie. Het dossier bevat echter geen aanwijzingen dat er voor het toeslagjaar 2014 kinderopvang is afgenomen. Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting bij de Commissie verteld dat zij dacht dat het antwoord-formulier voor het jaar 2013 ging over het jaar 2014. Op dit antwoordformulier werd aangegeven dat er geen opvang was afgenomen. In dat geval is er sprake van het zogenoemde ‘evident geen recht’ op KOT en daarmee ook geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen.
Belanghebbende heeft in een telefoongesprek met de persoonlijk zaak-behandelaar van UHT op 18 januari 2023 verklaard dat zij geen opvang meer durfde af te nemen vanaf 2014 door de nihilbeschikking van 2013. Ook de stukken waar belanghebbende de Commissie op heeft gewezen, zien op het jaar 2013.
De Commissie merkt op dat de nihilbeschikking van 2013 pas op 13 maart 2015 werd afgegeven. Deze nihilbeschikking kan daarom niet de aanleiding zijn geweest dat belanghebbende geen KOT heeft durven aanvragen voor 2014.
Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende betoogd dat er een blokkade zat op haar KOT-aanvragen vanaf 2014. Dit strookt niet met de eerdere verklaring van belanghebbende dat zij geen KOT durfde aan te vragen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat er sprake was van een blokkade op de KOT-aanvraag.
Dit is ook niet eerder in de (bezwaar)procedure betoogd, bijvoorbeeld in het ouderverhaal of het bezwaarschrift. De Commissie kan niet volledig uitsluiten dat belanghebbende bij een KOT-aanvraag op een blokkade is gestuit, maar ziet in dit geval geen aanwijzingen voor vooringenomenheid aan de zijde van B/T.
- Hardheid of O/GS
De bijstellingen over de toeslagjaren 2013 en 2014 zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
Gelet op vorenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar ten aanzien van de toeslagjaren 2013 en 2014 ongegrond te verklaren.
Persoonlijke- en financiële problemen
Het bezwaarschrift kan er dus niet toe leiden dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht. Belanghebbende betoogt dat de problemen rondom de KOT hebben geleid tot vele persoonlijke en financiële problemen. De Commissie merkt op dat de Wht uitsluitend betrekking heeft op aan KOT te relateren gebeurtenissen. Dit sluit niet uit dat belang-hebbende andere, met het toeslagenstelsel samenhangende problemen heeft ondervonden. Deze vallen echter buiten de reikwijdte van deze bezwaarprocedure.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter