BAC 2023-15038
Publicatiedatum 08-09-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 juli 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 21 mei 2026
Overdracht advies aan UHT: 9 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011, 2012 en 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 tot en met 2019.
De herbeoordeling ziet op de jaren 2011, 2012 en 2017 tot en met 2019. - UHT heeft bij beschikking van 1 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, en dat de Integrale Beoordeling in gang wordt gezet.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011, 2012 en 2017 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft op 7 augustus 2023, ingekomen op 29 augustus 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 4 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 21 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Toeslagjaren 2011, 2012, 2017, 2018 en 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011, 2012, 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2011 is sprake van één neerwaartse wijziging in KOT. De neerwaartse wijziging van 4 juli 2012 was gelegen in een verhoogd toetsingsinkomen, welke wijziging in de situatie belanghebbende niet heeft betwist. De terugvordering van KOT was dus gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen en in verband met informatie van de kinderopvanginstelling opnieuw is berekend.
Over het toeslagjaar 2012 is sprake van twee neerwaartse wijzigingen in KOT.
De neerwaartse wijziging van 21 juni 2012 was gelegen in een wijziging van het aantal afgenomen opvanguren, welke wijzigingen in de situatie belanghebbende niet heeft betwist. De neerwaartse wijziging van 21 augustus 2012 was gelegen in een stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf. In het dossier is een
TVS-melding van de desbetreffende stopzetting aanwezig (bladzijde 177). Belanghebbende heeft ook niet betwist dat zij de KOT over het toeslagjaar 2012 heeft stopgezet.
Blijkens de voorhanden zijnde stukken hebben over het toeslagjaar 2017 geen neerwaartse wijzigingen plaatsgevonden in KOT. Belanghebbende heeft ook niet gesteld dat zij over het toeslagjaar 2017 KOT heeft moeten terugbetalen.
Het is dus niet aannemelijk dat belanghebbende over het toeslagjaar 2017 schade heeft geleden die ingevolge de Wht voor vergoeding in aanmerking kan komen.
Betreffende het toeslagjaar 2018 is sprake van twee neerwaartse wijzigingen in KOT. De neerwaartse wijziging van 28 december 2018 was gelegen in een door belanghebbende doorgegeven wijziging van het aantal afgenomen opvanguren. Belanghebbende heeft betwist dat zij deze wijziging zelf heeft doorgevoerd.
De Commissie acht het niettemin aannemelijk dat belanghebbende een wijziging in het aantal afgenomen opvanguren heeft doorgevoerd. In het dossier is een
TVS-melding van de doorgegeven wijziging opgenomen (bladzijde 470).
Hieruit volgt dat belanghebbende per 9 oktober 2018 een wijziging doorgeeft in het aantal opvanguren. Hier zij opgemerkt dat - gelet op het bepaalde in artikel 2.1 lid 1, Wht - deze bezwaarprocedure uitsluitend ziet op de vraag of vóór 23 oktober 2019 sprake was van vooringenomen handelen dan wel van hardheid.
De neerwaartse correctie van 6 maart 2020 valt daarom buiten de reikwijdte van de Wht. Niet aannemelijk is geworden dat de desbetreffende neerwaartse bijstelling op enigerlei wijze verband houdt met een vooringenomen handelen van vóór 23 oktober 2019.
Ten slotte is over het toeslagjaar 2019 sprake van één neerwaartse wijziging in KOT. De neerwaartse wijziging van 24 april 2019 was gelegen in een stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf. In het dossier is een TVS-melding van de desbetreffende stopzetting aanwezig (bladzijde 317). Belanghebbende heeft ook niet betwist dat zij de KOT zelf heeft stopgezet.
De Commissie is van oordeel dat de bijstellingen over de respectieve toeslagjaren conform de wet zijn uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Kosten rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden beschikking niet behoeft te worden herroepen, adviseert de Commissie het verzoek een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter