Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14989

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 10 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHO

Hoorzitting: 21 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 24 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten. Ook adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door voormalige gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking met kenmerk UHT-DCHO van 10 augustus 2023.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2012 en een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) voor het toeslagjaar 2011 voor een bedrag van € 11.654 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010, 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013. Na overleg met belanghebbende is het verzoek uitgebreid naar de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016. Op verzoek van de voormalige gemachtigde is het verzoek uitgebreid naar de toeslagjaren 2010 en 2017.
  • Bij beschikking van 12 april 2021 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 juni 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 tot en met 2017 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
  • Bij brief van 11 juli 2023 met kenmerk UHT-VCH heeft UHT aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 11.617. Omdat belanghebbende al € 30.000 had ontvangen op grond van de Catshuisregeling, krijgt zij geen aanvullend bedrag nabetaald.
  • Bij beschikking van 10 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHO heeft UHT aan belanghebbende een compensatie toegekend vanwege vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2012 en een tegemoetkoming O/GS voor het toeslagjaar 2011 voor een bedrag van € 11.645.
  • De voormalige gemachtigde heeft bij brief van 11 september 2023, ingekomen op 19 september 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 27 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 27 februari 2025 heeft de voormalige gemachtigde aan de Commissie te kennen gegeven belanghebbende niet langer bij te staan.
  • Op 21 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Compleetheid dossier en motivering besluiten

Belanghebbende stelt dat onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking van 10 augustus 2023 ontbreken. Derhalve is het bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd.

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de definitieve compensatiebeschikking zijn de bedragen in de compensatieberekening vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De gegevens zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen, SAS-overzichten, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC), uitdraaien van de KOI-viewer, RKT-bestanden, XML-bestanden, correspondentie, gespreksverslagen en uitdraaien van meldingen. De Commissie is daarom van oordeel dat het bestreden besluit door middel van het indienen en delen van een schriftelijke reactie en de bijbehorende producties met de voormalige gemachtigde op 26 februari 2025 en met gemachtigde op 17 maart 2025 voldoende inzichtelijk zijn gemaakt en gemotiveerd. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces

Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van 'equality of arms', zoals opgenomen in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 26 februari en 17 maart 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen en daarvan gebruik gemaakt om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Compensatie of tegemoetkoming wegens vooringenomenheid, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld

Belanghebbende stelt dat zij zich niet kan verenigen met het bestreden besluit en de gronden waarop dit besluit is gebaseerd. UHT interpreteert deze stelling als een bezwaargrond tegen de afwijzing van compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 tot en met 2017. UHT heeft ambtshalve opnieuw een beoordeling uitgevoerd om vast te kunnen stellen of Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op goede gronden het verzoek tot compensatie of tegemoetkoming heeft afgewezen voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 tot en met 2017.

Toeslagjaren 2010 en 2017

Vaststaat dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2010 en 2017 geen KOT heeft aangevraagd. Ter zitting is gebleken dat belanghebbende in 2017 niet meer studeerde, dus geen doelgroeper meer was en daarom geen aanspraak meer had op KOT. Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting over het toeslagjaar 2010 aangevoerd dat zij zich niet kan voorstellen dat geen KOT voor haar was aangevraagd via de gemeente. Uit het dossier is echter niet gebleken dat de gemeente of een andere gemachtigde een aanvraag KOT heeft ingediend over dat jaar. De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht compensatie toegekend wordt aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet ten aanzien van de genoemde toeslagjaren niet aan dit vereiste. Belanghebbende heeft in deze jaren voorts geen gekwalificeerde opvang genoten, althans blijkt dat niet uit het dossier. Daarom komt belanghebbende voor deze periode niet voor compensatie op grond van de herstelmaatregelen in aanmerking.

Toeslagjaren 2011, 2013, 2014, 2015, 2016

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011, 2013, 2014, 2015 en 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2011, 2013, 2014, 2015 en 2016 waren gelegen in een te hoog voorschot, die op basis van reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Uit het dossier en wat ter zitting is aangevoerd is gebleken dat de stopzettingen de automatische continuaties hebben doorkruist. Daarnaast is voor wat betreft het toeslagjaar 2011 gebleken dat de contra-informatie die B/T had ontvangen van de kinderopvanginstelling, de informatie uit de aanvraag en het antwoordformulier overeenkomen. Voor wat betreft het toeslagjaar 2013 en opvolgende jaren is niet vast komen te staan dat de stopzettingen niet hadden moeten worden doorgevoerd. De bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is van de hierboven genoemde toeslagjaren alleen voor het toeslagjaar 2011 sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat enkel voor dit toeslagjaar hierop aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Belanghebbende stelt dat compensatieberekening onjuist is vastgesteld en ontbreekt in het dossier. De vergoeding voor immateriële schade en de aanvullende vergoeding van 1% zijn volgens belanghebbende onjuist berekend.

Bij de beschouwing heeft UHT de bijlage compensatieberekening gevoegd, echter niet de compensatieberekening zelf. De Commissie adviseert UHT om voor de volledigheid de compensatieberekening toe te voegen aan de beslissing op bezwaar.

Immateriële schadevergoeding (component n van de compensatieberekening)

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4 van de Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. Naar het oordeel van de Commissie is UHT voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade terecht uitgegaan van 19 februari 2014. Op deze datum zond B/T een als beschikking aangeduide brief aan belanghebbende waarin werd gesteld dat over 2012 geen recht bestond op KOT en dat het ontvangen voorschot moest worden terugbetaald.

UHT erkent dat de einddatum van de berekening van de immateriële schadevergoeding onjuist is, maar dat het voor het eindresultaat geen verschil maakt, aangezien de maximale vergoeding van de immateriële schade niet hoger kan uitvallen dan het bedrag dat is berekend onder component e, de grondslag van de compensatie. De Commissie is van oordeel dat dit standpunt van UHT juist is.

Rentevergoeding over de gemiste KOT (component o van de compensatieberekening)

UHT heeft ambtshalve component o van de compensatieberekening opnieuw beoordeeld en zij heeft erkend dat de rentevergoeding over de gemiste KOT te hoog is uitgevallen. Het aanpassen van dit bedrag in de berekening zou echter in het nadeel van belanghebbende zijn. UHT heeft daarom toegezegd dat zij in de beslissing op bezwaar deze renteberekening niet zal aanpassen. Belanghebbende heeft de juistheid van de nieuwe berekening van UHT niet betwist.

Aanvullende, vaste vergoeding van 1% van het subtotaal (component p van de compensatieberekening)

Hoewel UHT in haar schriftelijke beschouwing niet is ingegaan op het bezwaar van belanghebbende omtrent component p van de compensatieberekening, concludeert de Commissie dat deze component niet wijzigt, aangezien de andere componenten ook niet gewijzigd zijn volgens UHT.

De Commissie onderschrijft de ingenomen standpunten van UHT en adviseert UHT daarom om het bezwaar op de bovengenoemde punten ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Voor de proceskosten in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende, nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, geen recht op vergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten; en
  • het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter