Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14952

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 september 2023 met kenmerk UHT-HD CWS

Hoorzitting: 24 oktober 2024

Overdracht advies aan UHT: 10 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen ten aanzien van de schadepost andere extra kosten door stopzetting en terugvordering van de KOT, deze schadepost opnieuw te berekenen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen van 14 september 2023 met kenmerk UHT-HD CWS.

Met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) is aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend van € 10.908.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 november 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 en 2015.
  • Bij beschikking van 18 juni 2021 met kenmerk UHT-DC I heeft UHT aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.269.
  • Belanghebbende heeft op 23 september 2021 verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • De Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende van 23 september 2021 op 26 april 2023 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend van € 10.908
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 oktober 2023, ingekomen op 13 oktober 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 oktober 2023, ingekomen op 26 oktober 2023, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft schriftelijk gereageerd op 3 april 2024.
  • UHT heeft bij brief van 7 oktober 2024, ingekomen op 11 oktober 2024, een aanvullende beschouwing en een overzicht inkomensgegevens aan de Commissie doen toekomen.
  • Op 24 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Naar aanleiding van een aantal onduidelijkheden heeft de Commissie op 21 januari 2025 contact opgenomen met UHT met aanvullende vragen. UHT heeft hier op 28 januari 2025 op gereageerd. Op 29 januari 2025 is de informatie doorgestuurd naar gemachtigde. Tot op heden heeft gemachtigde hierop niet gereageerd, ondanks dat de Commissie op 7 februari 2025 een rappel heeft verstuurd met een (laatste) reactie termijn van een week.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen (naast de (deels) forfaitaire compensatie). Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1 derde lid Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1 Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).

Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat de bezwaren zich beperken tot de hierna te bespreken aspecten.

Immateriële schadevergoeding - bouwsteen D

Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat haar extra immateriële schadevergoeding toekomt omdat zij na 2015 enkele jaren geen KOT meer heeft aangevraagd omdat zij haar bestaande schulden wilde aflossen. Bouwsteen D betreft de situatie dat de ouder geen toegang had tot de KOT terwijl de ouder hier wel recht op had. Omdat belanghebbende geen toegang tot een voorziening van overheidswege meer kreeg, die bedoeld is om ouders in staat te stellen te werken of te studeren, werd haar een kans ontnomen om haar financiële situatie te verbeteren.

UHT heeft ter zitting gesteld dat is gebleken dat belanghebbende wel kinderopvang heeft genoten na 2015, maar niet dat belanghebbende op zeker moment geen KOT meer durfde of kon aan te vragen.

De Commissie stelt voorop dat belanghebbende compensatie heeft ontvangen voor fouten gemaakt door B/T over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 en 2015. Uit het dossier blijkt dat belanghebbende tegen beschikkingen omtrent op nihilstellingen van KOT in de toeslagjaren 2007, 2008, 2009 en 2015 bezwaar heeft gemaakt en steeds alsnog KOT toegekend heeft gekregen.

Voor wat betreft de toeslagjaren 2007, 2008, 2009 en 2015 is de Commissie van oordeel dat geen sprake kan zijn van schade die voor vergoeding op grond van bouwsteen D in aanmerking komt omdat belanghebbende KOT heeft ontvangen over die toeslagjaren en derhalve toegang had tot KOT. Ten aanzien van het toeslagjaar 2010 oordeelt de Commissie dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende wel KOT heeft aangevraagd en KOT heeft gekregen voor dit toeslagjaar. Daarmee is niet gebleken van onregelmatigheden met betrekking tot toegang tot KOT.

Voor zover belanghebbende stelt dat zij recht heeft op vergoeding van de schade op grond van deze bouwsteen over de toeslagjaren na 2015 stelt de Commissie vast dat belanghebbende in 2015 de KOT zelf heeft stopgezet. In 2017 en 2018 heeft belanghebbende weer KOT aangevraagd en toegekend gekregen. Ook hiervoor geldt dat belanghebbende dus toegang had tot KOT over die jaren. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Andere extra kosten door stopzetting en terugvordering KOT

Belanghebbende voert verder aan dat zij recht heeft op vergoeding van de kosten die zijn ontstaan naar aanleiding van terugvorderingen, stopzettingen en verrekeningen van toeslagen. Zij maakt aanspraak op een bedrag van € 18.975,15 in verband met deze kosten.

CWS heeft in haar advies voorop gesteld dat schulden zelf geen schadepost zijn omdat zij tegenover waardevolle uitgaven staan. Daarom is geen sprake van materiële schade. Weliswaar blijkt uit de diverse stukken dat belanghebbende rente en (incasso-, proces-en executie) kosten over schulden heeft betaald, maar CWS vindt het niet aannemelijk geworden dat deze kosten het gevolg zijn van de stopzetting en onterechte terugvordering van de KOT.

Belanghebbende heeft in de periode februari tot en met augustus 2011 een onterechte terugvordering van KOT van € 2.769 moeten terugbetalen maar heeft volgens CWS enkele maanden later, in april 2012, dit bedrag teruggekregen. Uit de stukken die belanghebbende heeft verstrekt, is CWS niet gebleken dat in die tussenliggende periode schulden, inclusief rente en kosten, zijn ontstaan. Uit het dossier van de UHT blijkt volgens CWS dat de schuld bij kinderopvang X in 2010 (en niet in 2012) moet zijn ontstaan en de schuld bij kinderopvang Y in 2017, omdat belanghebbende daar in die jaren opvang heeft afgenomen. Dit was dus niet tussen februari 2011 en april 2012 en kan daarom niet tot schulden hebben geleid, die door het handelen van B/T zijn veroorzaakt.

UHT heeft aangevoerd dat de door belanghebbende genoemde kosten niet in verband staan met de onterechte stopzetting van de KOT en de onterechte terugvordering van € 2.769. Uit de stukken blijkt volgens UHT niet dat in de periode februari 2011 tot en met augustus 2011 incasso-, proces- en executiekosten in verband met KOT-schulden zijn ontstaan. Volgens UHT blijkt uit de stukken dat de door belanghebbende bedoelde schulden vanaf eind 2013 zijn ontstaan, ruim een jaar nadat het bedrag van € 2.769 door B/T volledig aan ouder was terugbetaald.

De Commissie heeft UHT verzocht om te verduidelijken waar de conclusie van CWS op gebaseerd is dat de schulden bij Kinderopvang X in 2010 en bij Kinderopvang Y in 2017 zijn ontstaan. Uit de reactie van UHT van 28 januari 2025 blijkt dat zij uit de systemen heeft gehaald dat in 2017 kinderopvang bij Kinderopvang Y is afgenomen. Over Kinderopvang X heeft UHT niets kunnen terugvinden in de systemen. De Commissie heeft UHT ook gevraagd hoe zij tot de conclusie is gekomen dat de schulden van belanghebbende vanaf 2013 zijn ontstaan. UHT heeft daarop geantwoord dat uit de ingediende lijst met schulden en betalingsachterstanden en de onderliggende stukken blijkt dat de schulden waar belanghebbende op doelt vanaf 2013 zijn ontstaan.

Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT op het punt van deze schade het advies van CWS slechts gedeeltelijk mogen volgen. Uit het dossier blijkt inderdaad niet dat de ingediende schulden hun oorsprong vinden in de relevante periode, februari 2011 tot en met augustus 2011. Ten aanzien van de schuld aan Kinderopvang Y blijkt uit het dossier dat deze in 2017 is ontstaan dus lang na genoemde periode. Tussen die schuld en de onterechte terugvordering van KOT in 2011 bestaat derhalve geen causaal verband. Dit is naar het oordeel van de Commissie anders ten aanzien van de schuld aan Kinderopvang X met betrekking tot opvang in 2010. Omdat niet duidelijk is wanneer deze schuld is ontstaan, dient belanghebbende in dit geval het voordeel van de twijfel te krijgen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt deels gegrond te verklaren en deze schadepost te herberekenen, rekening houdend met de schuld bij Kinderopvang X. De compensatie dient op dit punt aangepast te worden.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om het bestreden besluit deels te herroepen ten aanzien van de andere extra kosten door stopzetting en terugvordering van de KOT in 2011;
  • de compensatie voor wat betreft deze schadepost te wijzigen met inachtneming van dit advies;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter