BAC 2023-14919
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primaire besluiten: 6 april 2022 (UHT CHR MGU)
6 juli 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 10 juni 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 17 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking 6 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en 2016. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 6 april 2022 met kenmerk UHT CHR MGU aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- Namens belanghebbende is bij brief van 26 mei 2021, ingekomen op 9 juni 2021, een bezwaarschrift ingediend tegen deze beschikking.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2009 tot en met 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 6 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 geen compensatie toegekend omdat geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 juli 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 8 januari 2025 schriftelijk gereageerd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 juni 2025 de gronden van het bezwaar aangevuld.
- Op 10 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op verzoek van gemachtigde tijdens de hoorzitting heeft UHT op dezelfde dag verscheidene aanvullende producties overgelegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift tegen de beschikking van 6 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA (verder onder meer aan te duiden als: "het bestreden besluit") ontvankelijk is. Het bezwaarschrift zal hierna inhoudelijk worden behandeld.
De Commissie overweegt voorts omtrent de op zich buiten de bevoegdheid van de Commissie vallende afwikkeling van de eerste toets het navolgende. Bij beschikking van 6 april 2022 heeft UHT na de eerste toets besloten om (nog) niet tot toewijzing van een compensatie over te gaan. Tegen deze beschikking is namens belanghebbende op 26 mei 2021 een bezwaarschrift ingediend. Omdat UHT kennelijk nog geen beslissing op dit bezwaarschrift heeft genomen, adviseert de Commissie UHT om in of gelijktijdig met de beslissing op bezwaar ook een beslissing te nemen over de beschikking van 6 april 2022.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 16 april 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2009 tot en met 2013
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT het verzoek om compensatie over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 terecht heeft afgewezen. Belanghebbende voert aan het niet eens te zijn met de afwijzing van de compensatie voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
De Commissie stelt op grond van de stukken het volgende vast ten aanzien van de desbetreffende toeslagjaren:
Toeslagjaar 2009
Voor het toeslagjaar 2009 hebben twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste bijstelling volgde op een melding door of namens belanghebbende van 24 augustus 2009, waarin werd verzocht de KOT per 15 september 2009 stop te zetten voor het kind. Deze wijziging komt overeen met de opvanggegevens die door de kinderopvanginstelling waren aangeleverd en geregistreerd in de Koi-viewer. De tweede bijstelling vond plaats omdat het toetsingsinkomen hoger bleek dan eerder opgegeven.
Toeslagjaar 2010
Voor het toeslagjaar 2010 heeft één neerwaartse bijstelling van de KOT plaatsgevonden, vanwege een stijging van het toetsingsinkomen. Voor zover belanghebbende aanvoert dat er geen bewijs is overgelegd voor een verhoging van het aantal opvanguren met één uur, overweegt de Commissie dat, hoewel onduidelijk is waarom dit extra uur is doorgevoerd, dit enkele gegeven onvoldoende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid.
Toeslagjaar 2011
Voor het toeslagjaar 2011 heeft ook één neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden, die voortkwam uit zowel een stijging van het toetsingsinkomen als uit opvanggegevens zoals geregistreerd in de Koi-viewer, waaruit bleek dat minder opvanguren waren afgenomen dan eerder opgegeven.
Toeslagjaar 2012
Voor het toeslagjaar 2012 hebben er twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste bijstelling volgde op bewijsstukken die door belanghebbende zelf waren aangeleverd. De tweede bijstelling vloeide voort uit zowel nieuwe bewijsstukken als een stijging van het toetsingsinkomen. Voor zover belanghebbende stelt dat er nooit een reactie is gekomen op het destijds ingediende bezwaar en daarom sprake is van vooringenomenheid door B/T, overweegt de Commissie dat B/T op 15 december 2015 een beslissing op het herzieningsverzoek heeft genomen. Ten aanzien van de stelling dat zonder toestemming van belanghebbende door B/T contact zou zijn opgenomen met kinderopvanginstelling X, overweegt de Commissie dat deze kinderopvanginstelling zelf contact heeft opgenomen met B/T (productie 5, pagina 10). Het is de Commissie niet gebleken dat dit contact aanleiding heeft gegeven tot een wijziging in het aantal opvanguren.
Toeslagjaar 2013
Voor het toeslagjaar 2013 hebben er drie neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste bijstelling volgde na een door of namens belanghebbende doorgegeven wijziging in het aantal opvanguren. De tweede bijstelling vond plaats nadat door of namens belanghebbende op 16 juli 2013 is verzocht om de KOT per 31 juli 2013 te beëindigen. De derde bijstelling volgde naar aanleiding van opvanggegevens uit de Koi-viewer, waaruit bleek dat minder opvanguren waren afgenomen dan eerder opgegeven. Deze gegevens stemmen overeen met het jaaroverzicht dat belanghebbende later in bezwaar heeft overgelegd.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid door B/T. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze - zoals hierboven uiteengezet - het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Hoewel de Commissie begrip heeft voor het ongemak dat deze bijstellingen voor belanghebbende met zich hebben meegebracht, zijn deze conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt nog dat zij als fraudeur is aangemerkt. De Commissie overweegt dat, op basis van de stukken, niet is gebleken dat belanghebbende als fraudeur is aangemerkt. Zoals hierboven reeds is overwogen, vloeien de bijstellingen van de KOT voort uit reguliere wijzigingen. Ook op dit punt kan het bezwaar van belanghebbende niet slagen.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie, ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 6 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren;
- en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter