Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14913 en 2021-02990

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 september 2021 (UHT-DC I) en 30 augustus 2023
(UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 5 december 2025

Overdracht advies aan UHT: 24 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag en de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) (hierna: bestreden beschikkingen).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 31.617 voor toeslagjaar 2009.

Daarnaast is een aanvullende werkelijke compensatie toegekend voor een bedrag van € 7.739 en een vergoeding van € 1.578,04 voor de kosten van het voeren van een procedure bij de CWS.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

Integrale beoordeling

  • Belanghebbende heeft op 8 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van toeslagjaren 2008 en 2009. Na overleg tussen de persoonlijk zaakbehandelaar en belanghebbende is het verzoek uitgebreid met toeslagjaar 2010.
  • Op 14 april 2021 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) haar advies toegestuurd aan UHT. Hierin staat dat voor toeslagjaar 2010 geen sprake is geweest van vooringenomenheid dan wel hardheid.
  • Bij beschikking van 6 september 2021 heeft belanghebbende een compensatie toegekend gekregen van € 31.617 voor het jaar 2009.
  • UHT heeft op 21 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 17 juni 2025 heeft gemachtigde het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 27 november 2025 heeft gemachtigde nog aanvullende stukken toegezonden.

CWS-procedure

  • Op 21 maart 2022 heeft belanghebbende verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op
    3 augustus 2023 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij bestreden beschikking aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 7.739 en een vergoeding van € 1.578,04 voor de kosten van het voeren van de procedure bij de CWS.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 oktober 2023, ingekomen op diezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 27 februari 2025 een aanvullende beschouwing opgesteld en de werkelijke schade opnieuw beoordeeld op grond van het schadekader dat geldt per 1 juli 2024.
  • Op 6 mei 2025 heeft gemachtigde namens belanghebbende hier schriftelijk op gereageerd en de bezwaargronden verder aangevuld.
  • Op 9 mei 2025 heeft een eerste hoorzitting inzake het bezwaar tegen de beschikking UHT-HD WS plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting werd duidelijk dat de behandeling van het bezwaar inzake 2021-02990 ook ingepland stond, maar slechts UHT was hiervan op de hoogte.
  • De Commissie heeft de behandeling van beide zaken aangehouden.
  • Op 7 november 2025 heeft een tweede hoorzitting plaatsgevonden.
    Tijdens deze hoorzitting zijn belanghebbende en haar gemachtigde niet verschenen. De Commissie heeft hierop besloten een nieuwe hoorzitting in te plannen.
  • Op 5 december 2025 heeft een derde hoorzitting plaatsgevonden en zijn de bezwaren tegen de beschikkingen UHT-DC I en UHT-HD WS gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een verslag gemaakt dat achter dit advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over het volledige dossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie vindt dan ook dat met het toezenden van het bezwaardossier op 17 juni 2025 is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het volledige dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.

Om die reden volgt de Commissie gemachtigde niet in haar betoog dat het ontbreken van een risicoprofielindeling, IST-informatie en schaderelevante elementen zou kunnen wijzen op vooringenomenheid. Dit betoog is onvoldoende gespecificeerd en blijft daardoor te speculatief. Ook de verwijzing naar het advies van de Commissie met kenmerk BAC 2023-11591 slaagt niet. Anders dan door gemachtigde gesteld, volgt daaruit niet dat de door gemachtigde genoemde stukken op de zaak betrekking hebbende stukken vormen. In voornoemd BAC-advies werd een schending van artikel 7:4 lid 2 Awb aangenomen omdat vaststond dat UHT stukken uit een parallelle procedure bij het College voor de Rechten van de Mens, die rechtstreeks op de zaak betrekking hadden, niet in de bezwaarprocedure had ingebracht. In de onderhavige zaak gaat het om andere stukken, waarvan niet is gebleken, en door gemachtigde ook niet is toegelicht, dat zij relevant zijn voor de beoordeling van het recht op compensatie. Voor zover gemachtigde voorts betoogt dat in het advies met kenmerk BAC 2023-11591 is geadviseerd compensatie toe te kennen vanwege het ontbreken van stukken, faalt dit betoog eveneens. In dat advies is, kort samengevat, tot toekenning van compensatie geadviseerd omdat de door UHT gehanteerde conclusie dat sprake was van “evident geen recht” over de toeslagjaren 2012 en 2013 niet houdbaar was, gelet op de in het dossier aanwezige aanwijzingen omtrent de verblijfsstatus en inburgeringsplicht van de toeslagpartner. Het advies tot toekenning van compensatie was derhalve gestoeld op de inhoudelijke beoordeling van het recht op KOT, en niet op het ontbreken van stukken. Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening (UHT-DC I)
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: BD/T) over het toeslagjaar 2009 jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht € 31.617 aan belanghebbende toegekend. UHT heeft, blijkens het gestelde in de schriftelijke beschouwing, zelf geconstateerd dat de begin- en einddata voor het berekenen van de vergoeding voor immateriële schade (component l) en de toeslagrente over de gemiste KOT (component o) onjuist zijn geweest.
Deze verkeerde data hebben er echter niet voor gezorgd dat belanghebbende is benadeeld en daarom worden deze data niet aangepast. De Commissie volgt dit standpunt van UHT en adviseert om het bezwaar op dit onderdeel eveneens ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing aanvullende schadevergoeding (UHT-HD CWS)
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade niet te laag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de bezwaargronden van belanghebbende en de daarop ter hoorzitting gegeven toelichting.

Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedings-recht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van BD/T waarvoor de ouder al gecompenseerd is. Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt de CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van de CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van de CWS, als het advies zelf de toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van de CWS, maar dit moet zij dan goed onderbouwen.

In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van de CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeen-stemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewis-plicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of de CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedingsrecht. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangs-punten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van de CWS heeft gevolgd.

Vergoeding immateriële schade
Met inachtneming van het per 1 juli 2024 aangepaste schadekader van de CWS heeft UHT een nader standpunt ingenomen. In de aanvullende beschouwing van

27 februari 2025 staat dat belanghebbende een hogere vergoeding krijgt voor immateriële schade, namelijk € 29.750. Ook is uiteengezet hoe dit bedrag tot stand is gekomen:

  • Bouwsteen A: € 7.500
  • Bouwsteen B: € 6.750
  • Bouwsteen C: € 1.000
  • Bouwsteen D: € 1.000
  • Bouwsteen E: € 13.500

Het totaalbedrag is verrekend met de reeds betaalde bedragen (zie tabel hierboven). De aanvullende vergoeding bedraagt na verrekening € 5.773. Aanvullend kent UHT nog € 500 toe voor de gevolgde CWS procedure.

Ten aanzien van bouwsteen A overweegt de Commissie dat in het aangepaste beleid voor de (niet limitatieve) factoren onder bouwsteen A géén standaardbedragen worden vermeld. De omvang van de immateriële schade wordt onder deze bouwsteen afzonderlijk per factor vastgesteld, afhankelijk van de zwaarte van deze factor. UHT heeft de volgende tien factoren meegewogen: sociale impact, langdurige financiële omstandigheden, tijdsduur KOT-schuld, terugbetaling KOT, organisatorische oppasstress, opzet / grove schuld, dwangverrekeningen, weigeren persoonlijke betalingsregeling, impact op de relatie en kwetsbaarheid door medische problematiek. Voor iedere factor kent UHT € 750 toe. Het totaalbedrag komt daarmee op € 7.500. De Commissie is van mening conform het beleid is gehandeld en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot andere bedragen. Bovendien heeft UHT – zoals staat in de beschouwing – de impact van de KOT problemen op de relatie met haar ex-partner en de kwetsbaarheid door de medische omstandigheden van belanghebbende hierbij betrokken.

Tegen de toegekende bedragen onder bouwstenen B tot en met E heeft belanghebbende geen specifieke bezwaargronden gericht. De Commissie gaat dan ook uit van de berekening van UHT en acht deze ook navolgbaar. De enkele stelling dat een bedrag van € 15.000 een passende aanvullende schadevergoeding is, leidt niet tot een ander oordeel.

Inkomensschade
In het CWS advies is inzichtelijk gemaakt hoeveel uren belanghebbende heeft gewerkt in 2011 tot en met 2017 en wat haar geregistreerde inkomen is geweest in die jaren. Uit de inkomensgegevens van belanghebbende blijkt niet dat zij vanaf 2011 – een jaar nadat de KOT werd teruggevorderd – minder is gaan werken.
In 2011 en 2012 had belanghebbende in vergelijking met voorgaande jaren een hoger inkomen. Dit kwam doordat belanghebbende toen een bijstandsuitkering ontving. Vanaf 2014 is belanghebbende in dienst gekomen bij een werkgever waar ze tot en met 2017 heeft gewerkt. Na mei 2017 is belanghebbende wegens ziekte uitgevallen en in de jaren daarna heeft zij niet meer gewerkt. De CWS concludeert dat belanghebbende in ieder geval vanaf 2011 niet minder is gaan werken als gevolg van de problemen met de KOT. Daarnaast concludeert de CWS dat belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat de medische klachten die in 2017 zijn ontstaan, een gevolg zouden zijn van de KOT problematiek. De Commissie stelt vast dat belanghebbende in haar bezwaarschrift ook niet heeft onderbouwd dat haar arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door de problemen met de KOT. Daarnaast heeft belanghebbende onvoldoende onderbouwd waarop het verzochte bedrag van € 25.000 is gebaseerd.

De Commissie is van oordeel dat UHT op goede gronden het advies van de CWS heeft gevolgd. Omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar medische klachten het gevolg waren van de KOT problematiek, is de Commissie van oordeel dat de CWS en UHT geen aanleiding hadden hoeven zien om een medisch deskundige in te schakelen.

Vermogensschade
Op grond van het schadekader van de CWS geldt dat steeds het oorzakelijk verband met de KOT problematiek aannemelijk moet zijn. De CWS toetst daarbij onder meer het moment van verkoop van de vermogensbestanddelen en de periode waarin de problemen met de KOT voor de ouder speelden.

De CWS vindt het onvoldoende aannemelijk dat de scheiding tussen belanghebbende en haar ex-partner het gevolg is van de problemen met de KOT.

De terugbetalingsverplichtingen aan de BD/T hebben ongetwijfeld voor spanningen tussen beiden veroorzaakt, maar daarmee is niet gezegd dat deze spanningen de enige of doorslaggevende reden was voor de echtscheiding. Daarnaast staat in het CWS advies dat uit het verhaal van belanghebbende naar voren komt dat niet de scheiding aanleiding is geweest voor de executieverkoop van het huis, maar dat de verkoop samenvalt met het moment dat belanghebbende haar betalingsverplichting aan de bank niet meer kon voldoen omdat zij geen huurpenningen kreeg van de huurder. Dit werd veroorzaakt door de inval van de politie in het koophuis na ontdekking van een hennepplantage.
Gelet hierop vindt de CWS het niet aannemelijk dat belanghebbende, vanwege haar scheiding in 2012 en de afspraken die in het kader van de scheiding zijn gemaakt, in 2017 vermogensschade heeft geleden bij de verkoop van het huis als gevolg van de KOT problematiek.

Ten aanzien van dit punt is de Commissie eveneens van oordeel dat UHT op goede gronden het CWS advies heeft gevolgd. De Commissie heeft in het dossier of in hetgeen wat ter zitting naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat er een causaal verband is tussen de gedwongen executieverkoop en de KOT problemen. Dat in de aanvullende stukken staat dat belanghebbende niet strafrechtelijk is vervolgd voor de hennepkwekerij doet hier niet aan af. De Commissie is van oordeel dat UHT haar besluit op het CWS advies heeft kunnen baseren. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel eveneens ongegrond.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • de beschikkingen met kenmerken UHT DC I en UHT HD CWS in stand te laten en de bezwaren tegen deze beschikkingen ongegrond te verklaren;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter