BAC 2023-14907
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 1 september 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 23 september 2025 om 12:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 6 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 1 september 2023 met het kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking).
In de bestreden beschikking is aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor toeslagjaar 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaar 2010.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 september 2023, ingekomen op 27 september 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Op 21 augustus 2025 heeft UHT schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 25 augustus 2025 heeft UHT aanvullende stukken verzonden.
- Op 26 augustus 2025 heeft een eerste hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. Tijdens deze hoorzitting is in overleg met partijen besloten om een tweede hoorzitting te houden op 23 september 2025.
- Op 22 september 2025 is het ouderdossier verzonden door UHT.
- Op 23 september 2025 heeft een tweede hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
Persoonlijk dossier/onvolledig dossier/Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De Commissie overweegt dat gemachtigde onderbouwd heeft aangegeven welke stukken er ontbraken in het dossier. Naar aanleiding van deze constatering is tijdens de hoorzitting van 26 augustus 2025 besloten om een tweede hoorzitting te houden met een compleet en volledig dossier. Op 22 september 2025 heeft UHT het ouderdossier met bijbehorende producties verzonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Tijdens de tweede hoorzitting heeft belanghebbende ook de gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de later overgelegde stukken - waaronder het ouderdossier - is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Met de nadere onderbouwing en uiteenzetting is naar het oordeel van de Commissie voldoende informatie verstrekt over de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar ook op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat zij in toeslagjaar 2010 het gehele jaar opvang heeft genoten. Zij volgde een opleiding en kreeg dit vergoed vanuit haar Bijstandsuitkering. In deze periode is haar inkomen dan ook niet gewijzigd.
De Commissie stelt vast dat ter hoorzitting is gebleken dat niet ter discussie staat dat belanghebbende vanaf 12 juli 2010 KOT toegewezen heeft gekregen. Over de periode van 1 januari tot en met 12 juli 2010 is volgens UHT terecht geen KOT toegekend, omdat de aanvraag in het dossier ziet op de periode vanaf 12 juli 2010. Deze informatie komt overeen met de gegevens van de jaaropgave van kinderopvanginstelling X en ook met het SAS-overzicht.
Alhoewel belanghebbende haar stelling niet nader heeft onderbouwd, is voor de Commissie de door belanghebbende op het punt van de opvang in het eerste deel van 2010 gegeven toelichting navolgbaar. Het is zeer wel denkbaar dat belanghebbende opvang afgenomen kan hebben in de eerste helft van 2010. Echter, uit de jaaropgave in het dossier blijkt dat kinderinstelling X de opvangperiode beperkt van 12 juli tot 31 december 2010. Daarnaast worden de gegevens van het inkomen door B/T ontvangen vanuit de Basisregistratie Inkomen. De Commissie overweegt dat B/T van de juistheid van deze gegevens mag uitgaan en dat geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zouden maken dat daar in dit geval anders over behoort te worden gedacht. De conclusie moet dan luiden dat niet is gebleken van vooringenomen handelen van B/T of hardheid. De Commissie adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende voert aan dat bij de verrekening van de terugvorderingen geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet.
De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot uitbreiding van de beslagvrije voet is dat een bewuste keuze geweest, die vooral gelegen is in het feit dat de KOT in zijn aard wezenlijk verschilt van de overige toeslagen. De KOT is namelijk juist gericht op de bevordering van arbeidsparticipatie, terwijl de overige toeslagen (huur- en zorgtoeslag, kindgebonden budget) een duidelijk inkomensondersteunend karakter hebben. De Commissie is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek voor een proceskostenvergoeding ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter