BAC 2023-14903
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 juli 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 13 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 9 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 26 juli 2023 met het kenmerk UHT-DCH (hierna: de bestreden beschikking).
UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 3.926 voor toeslagjaar 2006. Dit bedrag is aangevuld tot een compensatie van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling. Voor toeslagjaar 2007 heeft belanghebbende geen recht op compensatie.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 3.916. Op grond van de Catshuisregeling heeft belanghebbende het bedrag van € 30.000 ontvangen.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 3.926 voor toeslagjaar 2006. Voor toeslagjaar 2007 heeft belanghebbende geen recht op compensatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 september 2023, ingekomen op 7 september 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 september 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 13 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 13 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend met aanvullende stukken.
- Gemachtigde heeft hier op 22 januari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie begint met de opmerking dat gemachtigde ter hoorzitting heeft aangegeven dat het bezwaar niet ziet op toeslagjaar 2006. Belanghebbende is voor dit toeslagjaar erkend als gedupeerde en zij is hiervoor gecompenseerd.
Toeslagjaar 2007
Belanghebbende stelt dat zij door de trage afwikkeling van B/T van de stopzetting van de KOT in financiële problemen is gekomen en om deze reden recht heeft op compensatie.
Belanghebbende heeft de KOT vanaf 1 januari 2007 stopgezet op 22 september 2006. Deze stopzetting is verwerkt op 21 december 2006, maar de KOT is door blijven lopen. Nadat belanghebbende op 25 juni 2007 telefonisch contact heeft gehad met B/T is de KOT per 1 januari 2007 gestopt. De KOT is tot en met 17 juli 2007 betaald aan belanghebbende. De uitbetaalde KOT over deze periode is teruggevorderd bij belanghebbende.
De Commissie stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat over de eerste helft van 2007 door belanghebbende geen gebruik is gemaakt van opvang voor de kinderen. De ontvangen bedragen aan KOT over deze periode zijn dan ook niet gebruikt voor betaling van de opvang. De Commissie overweegt dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van een reguliere correctie, namelijk de stopzetting van de KOT per 1 januari 2007. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De correctie wijst ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Hierbij neemt de Commissie ook hetgeen door belanghebbende is toegelicht in aanmerking. De trage afwikkeling van de stopzetting van de KOT is niet wenselijk, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. Het ligt in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat. De Commissie adviseert dan ook om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige jaren
De Commissie overweegt dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat alleen in de toeslagjaren 2006 en 2007 KOT is uitbetaald aan belanghebbende. Daarnaast stelt de Commissie vast dat ter zitting en uit de nagestuurde stukken is gebleken is dat de toeslagpartner van belanghebbende KOT heeft aangevraagd voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2013. De Commissie constateert dat eventuele onduidelijkheden over de tweede helft van 2007 hiermee zijn opgehelderd. Na 2013 zijn er geen aanvragen meer bekend op naam van belanghebbende of haar toeslagpartner. Om deze reden zijn de overige jaren niet meegenomen in de herbeoordeling en in het bezwaar is hier ook geen aanleiding voor gevonden. Er zijn ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat toeslagjaar 2005 ten onrechte niet beoordeeld is, nu over dit jaar geen aanvraag van KOT bekend is. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar ongegrond is, belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter