Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14899

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 11 april 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 23 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 11 april 2023 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DCHA (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 en 2009.

Procesverloop

  • Gemachtigde heeft namens belanghebbende op 5 december 2019 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2010 tot en met 2013. Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het herbeoordelingsverzoek aangepast naar de jaren 2008 en 2009.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 en 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 mei 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 5 september 2024 bij beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft namens belanghebbende op 24 februari 2025 schriftelijk laten weten af te zien van een hoorzitting bij de bezwaarschriftenadviescommissie en verzocht de Commissie advies uit te brengen op de stukken. De Commissie ziet, ingevolge artikel 7:3, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Volledigheid dossier

De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 26 februari 2025 aan gemachtigde toegezonden. Daarnaast heeft UHT op verzoek van de Commissie op 8 april 2025 het volledige antwoordformulier over 2008 overgelegd, dat belanghebbende heeft ingevuld op 30 juni 2009. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hiermee niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Afwijzing compensatie toeslagjaar 2008

Belanghebbende kan zich niet verenigen met de afwijzing van compensatie over het toeslagjaar 2008. De Commissie overweegt als volgt.

Uit de stukken volgt dat belanghebbende op 5 augustus 2008 KOT heeft aangevraagd per 1 september 2008. Op 6 september 2008 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) een voorschotbeschikking afgegeven op basis van de bij de aanvraag doorgegeven gegevens. Op 13 oktober 2010 is het uurtarief herzien en iets naar beneden bijgesteld naar aanleiding van gegevens die B/T heeft ontvangen op 24 september 2010. Bij de definitieve vaststelling van de KOT op 2 november 2010 is de KOT verhoogd vanwege een lager toetsingsinkomen. Op 1 augustus 2011 is een nieuwe definitieve beschikking afgegeven naar aanleiding van een gebleken hoger toetsingsinkomen. Dit heeft geresulteerd in een terug te betalen bedrag van € 50. De Commissie overweegt dat het definitieve toetsingsinkomen wordt vastgesteld op het in de basisregistratie inkomen (BRI) vastgelegde inkomen dat is ontleend aan de aangifte inkomstenbelasting of het jaarloon.

De Commissie concludeert dat de wijzingen in de KOT in 2008 het gevolg zijn van reguliere correcties. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. De Commissie is daarom van opvatting dat B/T bij de toekenning of aanpassing van de KOT niet vooringenomen heeft gehandeld in 2008 en dat het stelsel in dit geval niet te hard is geweest. Ook is er geen onterechte kwalificatie O/GS over 2008, zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Afwijzing compensatie toeslagjaar 2009

Belanghebbende kan zich niet verenigen met de afwijzing van compensatie over het toeslagjaar 2009. De Commissie overweegt als volgt.

Uit de beschikbare stukken blijkt dat de KOT in 2009 automatisch is gecontinueerd op basis van de gegevens uit 2008. Uit het overzicht Regeling kinderopvangtoeslag (hierna: RKT) blijkt dat belanghebbende op 19 mei 2009 telefonisch heeft verzocht om de KOT per 1 juli 2009 stop te zetten. Naar aanleiding hiervan is de KOT gecorrigeerd, opnieuw berekend en op 3 juni 2009 verlaagd. In de nieuwe voorschotbeschikking van 3 juni 2009 is dit terug te zien. Vervolgens heeft UHT een belmutatie van 20 mei 2010 overgelegd waaruit (opnieuw) blijkt dat belanghebbende om stopzetting per 1 juli 2009 heeft verzocht. Dit is te herleiden aan de hand van het doorgegeven BSN-nummer en de aanduiding 'J' (ja). Op 4 juni 2010 is een nieuwe voorschotbeschikking afgegeven, waarin deze wijziging is bevestigd. Dit is ook terug te zien in het RKT-overzicht. De KOT is ongewijzigd gebleven.

Vervolgens blijkt uit de beschikbare stukken dat belanghebbende op 4 november 2010 een antwoordformulier heeft ingediend, waarin zij per abuis 'Nee' heeft ingevuld op de vraag of zij in 2009 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Daarna heeft B/T op 24 december 2010 een brief verstuurd naar belanghebbende met daarin de mededeling dat zij de KOT over toeslagjaar 2009 moet terugbetalen in verband met non-respons. Eerdere uitvraagbrieven zijn echter niet terug te vinden in de systemen van B/T. Daarna is in het RKT-overzicht terug te zien dat de behandelaar op verzoek van belanghebbende op 1 april 2011 de KOT 2009 op nihil heeft gesteld.

B/T heeft de KOT op 20 april 2011, na bovengenoemde drie gebeurtenissen die zijn af te leiden uit de stukken, gecorrigeerd en op nihil gesteld. Uit het RKT-overzicht is af te leiden dat de datum-tijd beslissing van deze beschikking is vastgelegd op 6 april 2011. De Commissie kan op basis van de beschikbare stukken niet achterhalen op welke grond op 20 april 2011 exact op nihil is gesteld. Zij kan hierover slechts speculeren. Zoals hierna blijkt, acht de Commissie nader onderzoek echter niet noodzakelijk. Wel adviseert zij UHT om hier bij de beslissing op bezwaar nader op in te gaan en na te gaan of aanvullende gegevens beschikbaar zijn.

Vervolgens heeft belanghebbende op 16 mei 2011 bezwaar gemaakt tegen de nihilbeschikking en daarbij een jaaropgave overgelegd waaruit blijkt dat zij van januari tot en met juni 2009 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Dit bezwaar is op 31 oktober 2011 gegrond verklaard. Uit het RKT-overzicht volgt dat de KOT op 25 november 2011 opnieuw is berekend, en op 10 december 2011 heeft B/T een herzieningsbeschikking afgegeven waarbij alsnog toeslag is toegekend conform de overgelegde jaaropgave. Bij de vaststelling van de definitieve beschikking op 15 september 2012 is de KOT verhoogd, omdat het toetsingsinkomen lager bleek dan eerder aangenomen. Voor het toeslagjaar 2009 heeft uiteindelijk een nabetaling plaatsgevonden.

De Commissie is het met UHT eens dat de stopzettingsbrief van 24 december 2010 is te kwalificeren als een handeling die (vermoedelijk) blijk geeft van vooringenomenheid. Vermoedelijk heeft B/T naar aanleiding van het antwoordformulier getracht nadere informatie op te vragen, waarna op 24 december 2010 de stopzettingsbrief is gevolgd omdat nadere informatie uitbleef. Omdat eerdere brieven echter niet meer in de systemen aanwezig zijn, neemt de Commissie aan dat belanghebbende onvoldoende in staat is gesteld haar recht op KOT aan te tonen. De Commissie vindt het bovendien opmerkelijk dat de nihilbeschikking pas maanden later is gevolgd, namelijk in april 2011. Daarom lijkt de nihilbeschikking eerder betrekking te hebben op de nihilstelling op verzoek van belanghebbende op 1 april 2011. Zoals eerder opgemerkt, beschikt de Commissie over onvoldoende gegevens om vast te kunnen stellen hoe de stukken precies zijn verwerkt.

De Commissie overweegt dat het onzeker is of de stopzettingsbrief uiteindelijk heeft geleid tot de nihilbeschikking. Zij is desalniettemin van oordeel dat het voor de beoordeling van mogelijke vooringenomenheid niet relevant is of de KOT uiteindelijk ook werkelijk is verlaagd of teruggevorderd. Onder verwijzing naar het Handboek van UHT merkt de Commissie op dat de stopzettingsbrief op zichzelf al als een nihilbeschikking moet worden aangemerkt. Omdat herstel van de verlaging niet binnen zes weken na dagtekening van de brief heeft plaatsgevonden, mag in overeenstemming met het beleid van UHT worden verondersteld dat belanghebbende (materiële of immateriële) schade heeft geleden. Van "evident geen recht op KOT" is naar het oordeel van de Commissie geen sprake, aangezien er aanwijzingen waren dat belanghebbende van januari tot en met juni 2009 mogelijk wel opvang had genoten. De Commissie adviseert UHT daarom alsnog compensatie toe te kennen over het toeslagjaar 2009 op grond van vooringenomenheid.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit (de bestreden beschikking) volgens dit advies dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tevens om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie om het bezwaar tegen het besluit van 11 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA gegrond te verklaren en om:

  • over het jaar 2009 alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen; en
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter