BAC 2023-14870
Publicatiedatum 13-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH
Overdracht advies aan UHT: 13 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van in totaal € 40.275,- voor de jaren 2008, 2009 en de maanden januari, februari en december 2010. Voor de periode maart tot en met november 2010 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 februari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2012. In overleg met belanghebbende zijn de te beoordelen toeslagjaren vastgesteld op de jaren 2008 tot en met 2010.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is op de maanden maart tot en met november 2010.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 40.141,-.
- UHT heeft bij de bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 40.275,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 september 2023 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 9 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft aangegeven dat belanghebbende ervan af ziet om te worden gehoord. Zowel gemachtigde als UHT zijn in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie te geven. De schriftelijke reacties zijn ontvangen op 16 februari respectievelijk 17 maart 2026.
- De Commissie heeft het advies besproken in haar vergadering van 2 maart 2026.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vragen of
- UHT terecht en op goede gronden compensatie over de maanden maart tot en met november 2010 heeft afgewezen; en of
- UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008, 2009 en de maanden januari, februari en december 2010 op de juiste wijze heeft berekend.
Onvolledig dossier en ontbrekende stukken
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft twee maal schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en aanvullende producties overgelegd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet niet in dat er stukken in het dossier zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit en is van mening dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de (proces)belangen van belanghebbende zouden zijn geschaad. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
FSV, O/GS en discriminatie
Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst.
Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt.
De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in haar beschouwing heeft toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en heeft gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie geeft UHT in overweging bij de beslissing op bezwaar de betreffende schermafdrukken uit de B/T systemen beschikbaar te stellen met als doel het completeren van het dossier met alle op de zaak betrekking hebbende stukken.
Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken. De Commissie adviseert UHT de bezwaren ongegrond te verklaren.
Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de CWS of een andere door UHT aangegeven route. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling compensatieberekening
Volgens belanghebbende is de compensatieberekening onjuist. Het gaat hierbij om de berekende bedragen onder de componenten m (juridische kosten), n (immateriële schade), o (toeslagrente gemiste KOT) en p (aanvullende vergoeding). UHT heeft in haar aanvullende beschouwingen geconstateerd dat de berekende bedragen onjuist zijn en heeft toegezegd deze bedragen te zullen herstellen in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert overeenkomstig en verzoekt UHT om aan belanghebbende de aangepaste compensatieberekening ter hand te stellen. Het bezwaar is op dit punt gegrond.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Werkelijk geleden schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.
Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Omissies en niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling per toeslagjaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is.
De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Heroverweging door UHT
Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT de bestreden beschikking heroverwogen. Uit de beschouwingen van UHT volgt dat deze heroverweging ertoe leidt dat de compensatieberekening op onderdelen zal worden aangepast. De Commissie overweegt dat de voorgenomen aanpassingen, die door belanghebbende niet meer inhoudelijk bestreden zijn, navolgbaar zijn en steun vinden in het dossier. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en in de beslissing op bezwaar de compensatie aan te passen overeenkomstig hetgeen daarover is opgemerkt in de beschouwing.
Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt(bezwaarschrift) ) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:
- het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het bestreden besluit als volgt te herroepen:
- de compensatieberekening aan te passen conform de schriftelijke reacties van UHT d.d. 9 april 2025 en 17 maart 2026 en deze aan belanghebbende ter hand te stellen;
- een vergoeding van de proceskosten voor deze bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief
- Bij de beslissing op bezwaar schermafdrukken ter beschikking te stellen van de raadpleging van de O/GS en FSV systemen met betrekking tot belanghebbende.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter