BAC 2023-14869
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 31 augustus 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 4 mei 2026
Overdracht advies aan UHT: 27 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bestreden besluit op onderdelen te herroepen, compensatie toe te kennen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 24.974 voor de jaren 2008, 2010 en 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2009, 2011, 2012, 2013, 2014 en 2016 tot en met 2020.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2016. De UHT heeft de jaren 2005 en 2008 tot en met 2020 opnieuw beoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 21 augustus 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, in het kader van de Catshuisregeling
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 juli 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2005, 2009, 2011 tot en met 2014 en 2016 tot en met 2020.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 24.974 voor de jaren 2008, 2010 en 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2009, 2011, 2012, 2013, 2014 en 2016 tot en met 2020.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 september 2023, ingekomen op 20 september 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 16 december 2024, het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 10 april 2025 (met een ‘beschouwing’) schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift, zoals dit is aangevuld.
- Op 4 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008, 2010 en 2015 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005, 2009, 2011, 2012, 2013, 2014 en 2016 tot en met 2020 af te wijzen.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum - is in ieder geval thans geen strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden besluiten behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Evenredigheidsbeginsel
UHT stelt dat zij bij het nemen van de beslissing niet alleen zorgvuldig heeft gekeken naar alle relevante feiten en omstandigheden maar ook rekening heeft gehouden met het belang van belanghebbende bij het besluit. Zij acht het genomen besluit in overeenstemming met de doelen die de wet wil bereiken. Uit het bestreden besluit volgen geen nadelige gevolgen die onevenredig zijn in de verhouding tot de met het bestreden besluit te dienen doelen. De Commissie ziet geen reden om tot een andere conclusie dan die van het UHT te komen en adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Zij heeft deze stelling echter niet nader onderbouwd. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel daarom ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2005
De Commissie stelt vast dat voor het toeslagjaar 2005 twee verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. De eerste verlaging hield verband met het met ingang van 15 april 2005 stopzetten van de KOT door belanghebbende en wijziging van de opvanguren. De B/T heeft de KOT, na het namens belanghebbende ingediende verzoek tot herziening, vastgesteld op € 1.009. De KOT is vervolgens met € 5 verlaagd. Aannemelijk is dat het bij de laatste verlaging om een wijziging van het toetsingsinkomen gaat. De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen dat de B/T bij deze bijstellingen onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Weliswaar heeft in dit toeslagjaar een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer plaatsgevonden, maar de te veel aan de kinderopvanginstelling betaalde KOT bedraagt minder dan € 1.500. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling, is daarvoor geen aanleiding. Ook is er geen onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld (hierna: O/GS), zodat belanghebbende evenmin in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2006 en 2007
Gemachtigde voert aan dat een deugdelijke motivering ontbreekt waaruit blijkt of belanghebbende voor de jaren 2006 en 2007 KOT heeft aangevraagd of ontvangen. De behandelend ambtenaar UHT heeft in de hoorzitting toegezegd dat de niet in de herbeoordeling betrokken toeslagjaren 2006 en 2007 alsnog zullen worden beoordeeld. Gemachtigde heeft in de hoorzitting verklaard ermee akkoord te gaan dat de herbeoordeling zal worden gedaan, zonder advies van de Commissie. De Commissie gaat ervan uit dat UHT, voordat zij de beslissing op bezwaar neemt, belanghebbende de gelegenheid zal geven te reageren op de uitkomst van het onderzoek naar de jaren 2006 en 2007.
Toeslagjaren 2009, 2013 en 2018 tot en met 2020
Met betrekking tot de toeslagjaren 2009, 2013 en 2018 tot en met 2020 is geen KOT aan belanghebbende toegekend of van hem teruggevorderd. Ook heeft belanghebbende voor deze jaren geen KOT aangevraagd. Zij komt daarom voor deze jaren niet in aanmerking voor compensatie. Ook is er geen O/GS-kwalificatie in deze jaren. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2011
De Commissie stelt vast dat voor het toeslagjaar 2011 twee verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. De eerste verlaging hield verband met het door belanghebbende per 1 januari 2011 stopzetten van de KOT. De tweede verlaging was het gevolg van de wijziging van het aantal opvanguren op de door belanghebbende ingediende jaaropgaaf. De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen dat de B/T bij deze bijstellingen onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Weliswaar heeft in dit toeslagjaar een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer plaatsgevonden, maar de KOT heeft niet het totaal aan kinderopvangkosten overschreden. De uitbetaalde KOT is daarmee volledig ten goede gekomen aan belanghebbende. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling, is daarvoor geen aanleiding. Ook is er geen onterechte kwalificatie wegens O/GS, zodat belanghebbende evenmin in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2012
De Commissie stelt vast dat voor het toeslagjaar 2012 twee verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. De eerste verlaging hield verband met het door belanghebbende per 1 maart 2012 stopzetten van de KOT. De tweede verlaging was het gevolg van een wijziging in het toetsingsinkomen van belanghebbende. De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen dat de B/T bij deze bijstellingen onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Weliswaar heeft in dit toeslagjaar een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer plaatsgevonden, maar de KOT is rechtstreeks uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en heeft niet het totaal aan kinderopvangkosten overschreden. De uitbetaalde KOT is daarmee volledig ten goede gekomen aan belanghebbende. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling, is daarvoor geen aanleiding. Ook is er geen onterechte kwalificatie wegens O/GS, zodat belanghebbende evenmin in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
Voor het toeslagjaar 2014 heeft één verlaging van de KOT plaatsgevonden, vanwege een wijziging van het toetsingsinkomen van belanghebbende. Er zijn geen aanwijzingen dat de B/T bij deze bijstelling onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. In dit toeslagjaar heeft geen terugvordering of verlaging van €1.500 of meer plaatsgevonden. De voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling zijn dus niet vervuld. De Commissie stelt vast dat er geen onterechte O/GS-kwalificatie aan de orde is.
Belanghebbende komt daarom niet in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2016
Voor het toeslagjaar 2016 heeft een verlaging van de KOT naar € 0 plaatsgevonden, omdat belanghebbende niet de juiste stukken had opgestuurd om aannemelijk te maken dat ze een ‘doelgroeper’ was. Op 26 februari 2018 en 20 maart 2018 heeft de B/T aan belanghebbende vraagbrieven verstuurd, waarna de B/T bij beschikking van 11 mei 2016 de KOT op nihil heeft vastgesteld. De verlaging van de KOT naar € 0 is vervolgens, naar aanleiding van het op 23 mei 2018 door belanghebbende gemaakte bezwaar, bij beschikking van 21 juli 2018 ongedaan gemaakt doordat haar weer KOT voor het toeslagjaar 2016 is toegekend. Belanghebbende heeft in het bezwaar tegen het bestreden besluit aangevoerd dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld, omdat de B/T niet zoveel informatie had mogen opvragen en belanghebbende wel een doelgroeper was. De Commissie overweegt het volgende. De Commissie meent dat de B/T vooringenomen gehandeld heeft door de KOT op nihil te stellen, hoewel belanghebbende al een verzoek om betaling van lesgeld van haar in 2016 gevolgde opleiding en haar diploma van 24 oktober 2017 had opgestuurd. Dat diploma kan alleen door studie in het jaar 2016 zijn behaald. De Commissie adviseert UHT om in dit geval aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2016 een compensatie als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wht toe te kennen. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een compensatie voor het jaar 2016 moet toekennen. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2017
Voor het toeslagjaar 2017 heeft één verlaging van de KOT plaatsgevonden, vanwege een stopzetting van de KOT door belanghebbende, een jaaropgave en een wijziging van het toetsingsinkomen van belanghebbende. Er zijn geen aanwijzingen dat de B/T bij deze bijstelling onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Weliswaar heeft in dit toeslagjaar een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer plaatsgevonden, maar de KOT heeft niet het totaal aan kinderopvangkosten overschreden. De uitbetaalde KOT is daarmee volledig ten goede gekomen aan belanghebbende. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling, is daarvoor geen aanleiding. Ook is er geen onterechte kwalificatie wegens O/GS, zodat belanghebbende evenmin in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2008, 2010 en 2015 (immateriële schade, component l, en rente, componenten d, i en o)
Voor de toeslagjaren 2008, 2010 en 2015 voert belanghebbende aan dat de berekening van de immateriële schade niet juist is. Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht moet de vaste (‘forfaitaire’) vergoeding voor immateriële schade worden berekend vanaf de datum van een eerste besluit tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden gunstiger beleid, waarbij zij voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade uitgaat van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T. Belanghebbende voert aan dat in haar geval de immateriële schade moet worden berekend vanaf 15 juni 2005, de dag waarop ze de eerste terugvorderingsbeschikking heeft ontvangen. De Commissie meent dat de datum van 26 februari 2010, waarvan UHT uitgaat als de startdatum voor de berekening van de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade, juist is. Het terugvorderingsbesluit van 15 juni 2005, waar belanghebbende naar verwijst heeft namelijk betrekking op het toeslagjaar 2005. Voor het toeslagjaar 2005 is echter geen compensatie toegekend. Voor het toeslagjaar 2008 is compensatie toegekend vanwege vooringenomen handelen door de B/T. Omdat 26 februari 2010 de datum van de eerste onterechte terugvordering van de KOT voor 2008 is, gaat UHT terecht uit van die datum als de startdatum voor de berekening van de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Voor de toeslagjaren 2008, 2010 en 2015 voert belanghebbende ook aan dat de berekening van de rente uit de stukken in het ouderdossier niet herleidbaar is. UHT heeft in de schriftelijke beschouwing verklaard dat zij aan belanghebbende in rekening gebrachte toeslagrente (component d), de invorderingsrente en -kosten (component i) en de toeslagrente gemiste KOT (component o) juist heeft berekend. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om vast te stellen dat de door de B/T berekende rente onjuist is. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Proceskosten
Omdat het bestreden besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- aan belanghebbende voor het jaar 2016 alsnog compensatie toe te kennen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een proceskostenvergoeding voor deze bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter