BAC 2023-14819
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 18 december 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 2 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 10 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 15.588,-, aangevuld tot € 30.000,-voor het jaar 2008 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006 en 2007.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2008.
- UHT heeft bij beschikking van 5 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-. Bij vooraankondiging van 21 november 2023 (UHT-VCH) is aan belanghebbende alsnog een bedrag van € 30.000,- uitbetaald. Het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de beschikking van 5 mei 2022 is bij beslissing op bezwaar van 14 december 2023 gegrond verklaard.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 15.558,-, aangevuld tot € 30.000,-, voor het jaar 2008 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006 en 2007.
- Gemachtigde heeft bij brief van 21 december 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 februari 2025 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005 tot en met 2007 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft op 25 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 2 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2008 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2007 af te wijzen.
De toegekende compensatie over toeslagjaar 2008
UHT heeft in de bijlage van haar schriftelijke reactie een toelichting gegeven op de onderdelen van de compensatieberekening, onder verwijzing naar de onderliggende stukken. De Commissie is van oordeel dat UHT de aan belanghebbende toegekende compensatie voor toeslagjaar 2008 in overeenstemming met de Wht heeft vastgesteld.
De afwijzing van compensatie over de jaren 2005, 2006 en 2007
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaren 2005, 2006 en 2007 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Voor het toeslagjaar 2005 geldt dat enkel opwaartse correcties hebben plaatsgevonden, zodat belanghebbende reeds hierom niet in aanmerking komt voor compensatie over dat toeslagjaar.
De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2006 en 2007 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is opnieuw berekend aan de hand van het bij B/T bekende toetsingsinkomen en de door belanghebbende doorgegeven opvanggegevens. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de kern van haar bezwaar is dat zij nog steeds niet beschikt over alle stukken die op de zaak betrekking hebben. Zij verwijst naar het advies inzake BAC 2023-11591, waarin door de BAC is aangenomen dat het inzagerecht geschonden was. In die zaak had UHT bij een parallelle procedure bij het College voor de Rechten van de Mens meer en andere stukken overgelegd. Belanghebbende wenst met name inzage in stukken over interne risicoselectie en de interne communicatie die medewerkers van B/T over haar hebben gevoerd.
De Commissie concludeert dat de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. De beschouwing en de daaraan ten grondslag liggende stukken zijn aan belanghebbende toegezonden.
De kern van het bestreden besluit ziet op de vraag of belanghebbende recht heeft op compensatie voor vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. Zoals hierboven toegelicht vindt de Commissie het op basis van de overgelegde stukken overtuigend dat belanghebbende enkel voor toeslagjaar 2008 in aanmerking komt voor de compensatie en dat de toegekende standaardcompensatie, als bedoeld in artikel 2.3 leden 1 tot en met 8 van de Wht, op de juiste wijze is toegekend. Anders dan in de zaak BAC 2023-11591, zal kennisname van overige stukken - voor zover die beschikbaar zijn - niet kunnen leiden tot een aanpassing in de compensatieberekening. De stukken die hiervoor relevant zijn bevinden zich reeds in het dossier. Indien bijvoorbeeld aannemelijk zou worden dat sprake is van een schadeverzwarende omstandigheid zoals discriminatie, zal dat niet leiden tot een wijziging in de compensatieberekening.
De Commissie vindt daarom dat UHT heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter