Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14809

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 augustus 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 8 juli 2025

Overdracht advies aan UHT: 14 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie {hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar ingediend tegen het besluit van 22 augustus 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

  • dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 niet is gebleken van fouten en dat zij daarom geen recht heeft op compensatie (UHT-DCHA).

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 22 augustus 2023 is vorenstaand besluit meegedeeld aan belanghebbende.
  • Bij brief van 29 augustus 2023 heeft gemachtigde tegen vorenstaand besluit bezwaar gemaakt.
  • Bij brief van 2 augustus 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
  • Op 11 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 28 maart 2025 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat er geen enkel aanknopingspunt is voor de toepassing van een herstelregeling voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2019.
  • Op 8 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid heeft dit advies behandeld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Zorgvuldigheidsbeginsel

Omdat UHT doorgaans beschikt over relevante stukken, zal UHT naar aanleiding van de compensatieaanvraag wel de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen moeten vergaren. UHT heeft dit zorgvuldigheidbeginsel niet geschonden: ten aanzien van ieder toeslagjaar heeft UHT (alsnog) uitgebreid onderzocht en toegelicht welke wijzigingen hebben plaatsgevonden.

Fair trial

UHT heeft (alsnog) de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd in het geding gebracht. De Commissie ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat relevante stukken ontbreken. Op basis van de overgelegde stukken is voldoende inzichtelijk hoe UHT tot het bestreden besluit is gekomen dat belanghebbende geen aanspraak maakt op compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Van een schending van het recht op een eerlijk proces is niet gebleken.

Herbeoordeelde toeslagjaren

De KOT voor de toeslagjaren 2016 en 2018 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van wijzigingen van het aantal afgenomen opvanguren en wijziging van het toetsingsinkomen.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

Voor toeslagjaar 2017 hebben geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. Compensatie is dan in beginsel niet aan de orde.

Daar de definitieve beschikking voor toeslagjaar 2019 is genomen na 23 oktober 2019, valt deze buiten het beoordelingskader. Artikel 2.1 Wht bepaalt namelijk dat compensatie enkel toegekend kan worden als sprake is van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid door B/T dat vóór 23 oktober 2019 heeft plaatsgevonden. Gesteld noch is gebleken dat er een causaal verband bestaat tussen de beschikking van 6 november 2020 en beschikkingen van vóór 23 oktober 2019 met mogelijk institutioneel handelen of hardheid door Belastingdienst/Toeslagen.

Proceskostenvergoeding

Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • de bezwaren ongegrond te verklaren;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter