Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14768

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 juli 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 23 mei 2025 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 8 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 14 juli 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen. De Commissie adviseert tevens een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 32.202 voor het toeslagjaar 2007 op grond van vooringenomenheid en de toeslagjaren 2010 en 2011 op grond van hardheid. Voor de toeslagjaren, te weten 2008, 2009 en 2012 tot en met 2016, is geen compensatie toegekend.

Procesverloop

Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006 tot en met 2012. Na overleg tussen UHT en belanghebbende is besloten om de toeslagjaren 2007 tot en met 2016 te herbeoordelen.

UHT heeft bij beschikking van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.

  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2008, 2009 en 2012 tot en met 2016. Volgens het voorlopig oordeel van Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) is de compensatieregeling wel van toepassing voor de toeslagjaren 2007, 2010 en 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 14 juli 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende compensatie toegekend van € 32.202 voor het toeslagjaar 2007 op grond van vooringenomenheid en voor de toeslagjaren 2010 en 2011 op grond van hardheid. Voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2012 tot en met 2016 heeft UHT geen compensatie toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 augustus 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 oktober 2024 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 17 oktober 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 23 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 26 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 27 juni 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Belanghebbende voert aan dat zij niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder het volledige persoonlijke dossier, heeft ontvangen. Volgens belanghebbende betreft dit onder meer interne communicatie tussen medewerkers van UHT en belnotities van gesprekken tussen haar en UHT. Hierdoor stelt zij dat zij niet in staat is geweest om de bestreden beschikking op volledigheid en juistheid te toetsen.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 31 maart 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. Overigens is het wel zo, dat als uit latere stukken blijkt van nieuwe feiten op grond waarvan het bestreden besluit in het voordeel van belanghebbende moet worden bijgesteld, het aangewezen is dat UHT dat ook doet.

Beoordeling compensatie toeslagjaren 2007 tot en met 2016

De Commissie ziet zich, mede gelet op de nadere precisering van de bezwaren, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2007, 2010 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend. Voorts zal de Commissie de vraag beantwoorden of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 en 2016, af te wijzen.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening toeslagjaren 2007, 2010 en 2011

Toeslagjaar 2010

In haar schriftelijke beschouwing heeft UHT verklaard dat de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2010 in het voordeel van belanghebbende hoger is vastgesteld. Gelet op het verbod op reformatio in peius zal de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2010 in stand worden gelaten. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.

Toeslagjaren 2007 en 2011

In haar schriftelijke beschouwing heeft UHT verklaard dat voor de toeslagjaren 2007 en 2011 onderdeel o) (de rentevergoeding over gemiste KOT) onjuist is vastgesteld en zal worden aangepast naar respectievelijk € 4.398 en € 1.854. UHT acht het bezwaar op dit onderdeel gegrond en zal de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2007 en 2011 aanpassen in de beslissing op bezwaar.

De Commissie acht met UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond. De (gedeeltelijke) gegrondbevinding van het bezwaar zal ook leiden tot aanpassing van alle, ingevolgde de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vaststellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2012 tot en met 2014 en 2016

UHT heeft, na een ambtshalve herbeoordeling, de afgewezen toeslagjaren opnieuw beoordeeld. Op basis hiervan concludeert UHT dat er voor de, thans nog relevante, toeslagjaren 2012 tot en met 2014 en 2016 geen aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of hardheid.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van B/T.

Voor het toeslagjaar 2012 hebben er twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste bijstelling vond plaats bij definitieve beschikking van 6 maart 2015, omdat het gezamenlijk toetsingsinkomen is gestegen van € 40.378 naar € 60.338. De tweede bijstelling vond plaats bij definitieve beschikking van 30 december 2017, eveneens naar aanleiding van een stijging van het gezamenlijk toetsingsinkomen van € 60.338 naar € 61.969.

Voor het toeslagjaar 2013 hebben er eveneens twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste bijstelling vond plaats bij voorschotbeschikking van 21 augustus 2013, vanwege de beëindiging van de KOT door of namens belanghebbende voor diens kind, op 29 juli 2013 met ingang van 8 juli 2013. De tweede bijstelling vond plaats bij definitieve beschikking van 19 september 2014 vanwege een stijging van het gezamenlijk toetsingsinkomen van € 36.649 naar €57.933.

Voor het toeslagjaar 2014 hebben er ook twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste bijstelling vond plaats bij voorschotbeschikking van 21 mei 2014, vanwege een stijging van het gezamenlijk toetsingsinkomen van €37.161 naar € 51.000. De tweede bijstelling vond plaats bij voorschotbeschikking van 30 december 2014, naar aanleiding van een stopzetting door of namens belanghebbende op 8 november 2014 met ingang van 20 december 2014.

Voor het toeslagjaar 2016 hebben er drie neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste bijstelling vond plaats bij voorschotbeschikking van 21 november 2016, omdat het kind van belanghebbende, [naam kind], de leeftijd van vier jaar bereikte en daarmee het recht op dagopvang was komen te vervallen. Daarnaast was er sprake van een stijging in het toetsingsinkomen. De tweede en derde bijstelling vonden plaats bij definitieve beschikkingen van respectievelijk 10 november 2017 en 9 november 2018, wegens een stijging van het gezamenlijk toetsingsinkomen van € 51.540 naar € 54.630 en vervolgens naar € 56.889.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 en 2016 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid door B/T. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze - zoals hierboven uiteengezet - het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Hoewel de Commissie begrip heeft voor het ongemak dat de bijstellingen voor belanghebbende met zich hebben meegebracht, zijn deze conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

Ter zitting heeft gemachtigde nog aangevoerd dat belanghebbende in aanmerking zou moeten komen voor de toepasselijkheid van de beleidsmatige, zogenoemde KOT naar KOI-regeling. De Commissie overweegt hierover als volgt. Voor de toeslagjaren 2013, 2014 en 2016 blijkt uit de LIC-overzichten dat de terugvorderingen minder dan € 1.500 bedroegen. Alleen al om die reden kan voor die jaren geen beroep worden gedaan op de KOT naar KOI-regeling. Ten aanzien van het toeslagjaar 2012 is weliswaar meer dan €1.500 van belanghebbende teruggevorderd, terwijl de KOT is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI). Echter, zoals UHT terecht opmerkt in haar aanvullende beschouwing, is in totaal € 3.353 aan KOT aan de KOI uitbetaald, terwijl de werkelijke opvangkosten €13.015,49 bedroegen. Er is derhalve niet meer dan € 1.500 aan KOT aan de KOI uitbetaald én van belanghebbende teruggevorderd, waardoor de KOT naar KOI-regeling ook voor dit jaar geen toepassing kan vinden. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel

Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.

Institutionele discriminatie en FSV-lijst

Belanghebbende vermoedt dat in haar geval sprake is geweest van institutionele discriminatie en dat opname of de FSV-lijst daar een rol in heeft gespeeld.

De Commissie overweegt als volgt. Hoewel gemachtigde heeft gesteld dat in het geval van belanghebbende een vermoeden is dat sprake is geweest van institutionele discriminatie, kan een dergelijk vermoeden in een procedure als de onderhavige - waarin belanghebbende reeds als gedupeerde is aangemerkt en in aanmerking is gekomen voor de forfaitaire herstelmaatregel - op zichzelf genomen niet leiden tot het door haar gewenste resultaat.

Voor zover nog van belang, overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele discriminatie, uit de beschikbare stukken, de tijdens de hoorzitting besproken feiten en omstandigheden, en de nadere schriftelijke uitwisseling, onvoldoende is gebleken. Daarnaast stelt de Commissie vast dat uit het FSV-vaststellingsformulier blijkt dat belanghebbende niet op de FSV-lijst heeft gestaan. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel dan ook ongegrond te verklaren.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend beantwoordend, om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 14 juli 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
  • om het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter