BAC 2023-14751
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 juli 2022 (UHT-DC I, UHT-DCI A, UHT-DH5 A en UHT-DHR)
Hoorzitting: 10 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 10 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie om het verzoek voor een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 25 juli 2022 met de kenmerken UHT-DC I, UHT-DCI A, UHT-DH5 A en UHT-DHR.
UHT heeft als volgt beslist:
- In de beschikkingen met het kenmerk UHT-DCI A en UHT-DH5 A heeft UHT aan belanghebbende meegedeeld dat zij over de periode mei tot en met december 2010 en toeslagjaar 2013 geen recht heeft op compensatie op grond van een herstelregeling.
- In de beschikkingen met het kenmerk UHT-DC I en UHT-DHR heeft UHT aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 44.216 voor de periode februari tot en met april 2010, 2011 en 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- De Commissie van Wijzen heeft op 25 maart 2022 geadviseerd dat de compensatieregeling in het geheel niet van toepassing is en dat de hardheidscompensatie niet van toepassing is voor de periode mei tot en met december 2010 en toeslagjaar 2013.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 43.933.
- UHT heeft in de beschikkingen met het kenmerk UHT-DC I en UHT-DHR aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 44.216 voor de periode februari tot en met april 2010 en 2011 en 2012. In de beschikkingen met kenmerk UHT-DC I A en UHT-DH5 A heeft UHT besloten dat belanghebbende voor de periode mei tot en met december 2010 en toeslagjaar 2013 geen recht heeft op compensatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 september 2023, ingekomen op 1 september 2023, bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 1 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 10 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 12 maart 2026 een aanvullende mail verzonden aan de Commissie.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Ontbrekende stukken/volledige dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke reactie van UHT en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat de besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Voor zover sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van de besluiten, kan dit gebrek naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in de beschouwing is opgemerkt. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.
De Commissie stelt vast dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bezwaar zich niet richt tegen de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. Toeslagjaar 2010 stond nog wel ter discussie, maar ter zitting is aan de orde geweest dat belanghebbende voor de periode februari tot en met april 2010 is gecompenseerd op grond van hardheid.
Belanghebbende is het eens met deze compensatie.
Tijdens de zitting heeft UHT aangegeven dat zij bij de voorbereiding van de hoorzitting heeft geconstateerd dat de beschikking waarin belanghebbende gecompenseerd wordt voor februari tot en met april 2010 onjuist is en dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2010. In de beschouwing is opgenomen dat een aantal componenten uit de compensatieberekening aangepast zal worden en UHT stelt dat zij deze bedragen mag verrekenen met de reeds toegekende vergoeding over toeslagjaar 2010.
De Commissie oordeelt hierover als volgt.
Het uit artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voortvloeiende verbod van ‘reformatio in peius’ betekent dat het indienen van een bezwaarschrift er niet toe mag leiden dat de indiener via de heroverweging door het bestuur in een slechtere positie geraakt dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie met klem dat ook in deze procedure geldt dat belanghebbende door het instellen van bezwaar niet in een nadeligere positie mag raken.
De Commissie volgt het standpunt van UHT, zoals opgenomen in de schriftelijke reactie, dat de component van de rentevergoeding over gemiste KOT opnieuw berekend moet worden en aangepast dient te worden in het voordeel van belanghebbende. De stelling van UHT ter zitting dat zij toeslagjaar 2010 mag verrekenen met de eerder betaalde compensatie over 2010 volgt de Commissie niet. UHT heeft namelijk in de schriftelijke beschouwing uiteengezet dat belanghebbende een nabetaling zal ontvangen. Deze uiteenzetting is zonder enig voorbehoud gedaan. De Commissie neemt in aanmerking dat belanghebbende als gedupeerde is aangemerkt en dat het niet past binnen de uitvoering van deze herstelprocedure om op dit als toezegging te beschouwen standpunt terug te komen. De Commissie overweegt dat UHT in een aanvullende mail op 12 maart 2026, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, heeft aangegeven dat zij aan de door haar aangegeven horizontale verrekening geen uitvoering zal geven in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT om deze toezegging gestand te doen en aan belanghebbende een aanvullende compensatie toe kennen. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Gelet op het voorgaande dient ook de immateriële schadevergoeding berekend te worden tot de datum van de beslissing op bezwaar.
De Commissie merkt op dat bovenstaande aanpassing tot gevolg heeft dat ook de aanvullende vergoeding van 1% dient te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gegrond is adviseert de Commissie om de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- De compensatieberekening betreffende toeslagjaar 2010 in het voordeel van belanghebbende aan te passen, zonder daarbij een horizontale verrekening toe te passen;
- Het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter