Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14748

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 26 juli 2023 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 30 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 9 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 84.720 voor de jaren 2007, 2008, 2009, januari tot en met juni 2011, 2013, 2014, 2015 en 2016 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2016. In overleg met belanghebbende is het verzoek gewijzigd naar de jaren 2007 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij besluit van 11 augustus 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 26 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat voor het toeslagjaar 2010, de maanden juli tot en met december 2011, de maand december 2015 en het toeslagjaar 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 12 juni 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een voorlopige vergoeding toegekend van € 84.322.
  • UHT heeft bij besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 26 juli 2023, met kenmerk UHT-DCHO, aan belanghebbende een definitieve vergoeding toegekend van € 84.720 voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2009, januari tot en met juni 2011, 2013, 2014, 2015 en 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 augustus 2023, ingekomen op 1 september 2023, bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
  • UHT heeft op 13 maart 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 24 februari 2026 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 16 april 2026 schriftelijk gereageerd op het aanvullende bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 23 april 2026 het bezwaar opnieuw aangevuld.
  • Op 30 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 6 mei 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 12 mei 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2009, 2011, 2013, 2014, 2015 en 2016 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het toeslagjaar 2010, en compensatie vanwege vooringenomenheid of hardheid over de toeslagjaren 2015 (deels) en 2016 af te wijzen.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.

Onvolledig dossier/persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken in het ouderdossier aanwezig zijn.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn op 14 juli 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over zijn volledige dossier.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb). Daarbij merkt de Commissie op dat het beginsel van equality of arms in de bezwaarfase geen zelfstandige rol speelt (vgl. ABRvS 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3391). Op grond van artikel 7:4, tweede lid, Awb heeft belanghebbende echter wel recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan de hoorzitting. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een ouderdossier op 14 juli 2025 ontvangen.
Op 27 maart 2026 is het meest recente ouderdossier aan gemachtigde gezonden. UHT heeft het dossier verder aangevuld met de met de beschouwing van 13 maart 2023 en de aanvullende beschouwing van 16 april 2026. Verder merkt de Commissie op dat UHT de producties 3300001 tot en met 3300020 waarnaar verwezen wordt in de beschouwing aan het dossier heeft toegevoegd. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Automatische continuering
Belanghebbende stelt dat de wijze waarop de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) om is gegaan met de automatische continuatie van de KOT onzorgvuldig is.
Zij stelt daarbij dat onvoldoende waarborgen in het systeem zijn ingebouwd, waardoor betalingsproblemen hebben kunnen ontstaan bij terugvorderingen over eerdere toeslagjaren. Dit was volgens belanghebbende het geval bij de toeslag-jaren 2008 tot en met 2011, 2014 en 2016. Volgens belanghebbende had van B/T verwacht mogen worden dat de KOT alleen automatisch verlengd werd als daarvoor aanwijzingen waren in de KOI-viewer en dat deze gegevens, of andere gegevens die B/T tot haar beschikking had, als basis zouden hebben moeten dienen voor de berekening van het voorschot.

De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T wordt stopgezet of gewijzigd.

Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoer gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2010
Belanghebbende is van oordeel dat er in het toeslagjaar 2010 sprake is van vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel.

Belanghebbende verwijst hierbij naar beschikking T1000601 van 21 juli 2012 (productie 1210007). De maanden november en december 2010 waren hierin niet meegenomen, terwijl de gegevens en jaaropgave van 2010 wel voorhanden waren.

UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 16 april 2026 toegelicht dat belanghebbende tegelijkertijd met het bezwaarschrift van 22 mei 2022 de jaaropgaven met betrekking tot de toeslagjaren 2008, 2009, 2011 en de maanden januari tot en met augustus van toeslagjaar 2010 heeft ingestuurd. Bij dit bezwaar is door belanghebbende geen jaaropgave met betrekking tot de maanden november en december van toeslagjaar 2010 aan B/T overgelegd. Dat heeft belanghebbende pas op 10 juli 2022 gedaan (derhalve na de beschikking van
21 juli 2012) gedaan.

De door B/T doorgevoerde wijzigingen hebben plaatsgevonden naar aanleiding van de door belanghebbende ingestuurde jaaropgaven. Reguliere bijstellingen geven geen aanspraak op compensatie op grond van vooringenomen handelen. Ook niet op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Omdat ook geen sprake is van een onterechte kwalificatie O/GS, adviseert de Commissie UHT  om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012
Belanghebbende stelt dat het toeslagjaar 2012 ten onrechte niet is meegenomen in de herbeoordeling. UHT heeft in haar reactie van 6 mei 2026 vermeld dat uit de in de systemen van B/T aanwezige stukken niet blijkt dat belanghebbende voor toeslagjaar 2012 KOT heeft aangevraagd. De KOT is in toeslagjaar 2011 stopgezet. Na de stopzetting heeft belanghebbende niet opnieuw KOT aangevraagd.
De Commissie adviseert daarom UHT om deze bezwaargrond ongegrond te verklaren.

Tegemoetkoming opzet/grove schuld over de toeslagjaren 2015 en 2016
Belanghebbende is van mening dat de tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) onjuist is berekend ten aanzien de toeslagjaren 2015 en 2016.

Toeslagjaar 2015

Berekening O/GS
Gebleken is dat UHT over toeslagjaar 2015 de grondslag O/GS ten onrechte uitsluitend heeft berekend op basis van de compensatie vanwege voorin-genomenheid

Het bedrag waarvoor belanghebbende geen persoonlijke betalingsregeling kon treffen in 2015 is € 13.976. Dit bedrag bestaat uit een terugvordering van € 1.131, (gebaseerd op beschikkingsnummer T1500491), en € 12.845 (gebaseerd op beschikkingsnummer T1560611). De grondslag voor de compensatie op basis van vooringenomenheid is € 12.435 (correctie van de beschikking van 3 juni 2016 – kenmerk T1500491). De grondslag waarover de tegemoetkoming O/GS wordt berekend is daarom (€13.976 - €12.435 = €1.541) en de tegemoetkoming O/GS over toeslagjaar 2015 € 1.541 x 30% = € 463. Belanghebbende heeft over toeslagjaar 2015 € 4.193 (13.976 x 30%) in plaats van € 463 aan tegemoetkoming ontvangen.

Het uit artikel 7:11 van Awb voortvloeiende verbod van ‘reformatio in peius’ betekent dat het indienen van een bezwaarschrift er niet toe mag leiden dat de indiener via de heroverweging in een slechtere positie geraakt dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn. Gelet op het reformatio in peius beginsel mag een belanghebbende tijdens bezwaar (in beginsel) niet in een nadeliger positie terechtkomen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bestreden besluit op dit onderdeel niet te herroepen.

Toeslagjaar 2016
Voor toeslagjaar 2016 is de grondslag voor de O/GS-tegemoetkoming voor toeslagjaar 2016 op grond van de beschikking van 21 mei 2016 met kenmerk T1600251 van € 14.070 vastgesteld op € 5.908. De Commissie is van oordeel dat de compensatie O/GS over toeslagjaar 2016 correct is vastgesteld en adviseert UHT om deze bezwaargrond ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
Belanghebbende betoogt dat UHT niet goed heeft gemotiveerd hoe de compensatieberekening tot stand is gekomen. UHT heeft in haar beschouwing de compensatieberekening gecontroleerd en uiteengezet dat een aantal componenten onjuist is berekend.

Ten aanzien van de hoogte van de KOT voorafgaand aan de onterechte verlaging (component a), de toeslag die belanghebbende niet heeft gekregen of moest terugbetalen (component c) inclusief de bij belanghebbende in rekening gebrachte toeslagrente (component e), de vergoeding van de materiële schade (component h), de vergoeding voor immateriële schade (component n), de rentevergoeding over gemiste KOT (component o) en de aanvullende vergoeding van 1% (component p), is UHT voornemens om de bezwaren van belanghebbende conform de beschouwing gegrond te verklaren. De Commissie adviseert UHT te beslissen conform deze beschouwing.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om toekenning vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om een proceskosten-vergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter