BAC 2023-14739
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 juli 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 3 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 38.653,- voor het jaar 2007 en de periode januari tot en met september 2008 en geen compensatie toegekend voor de periode oktober tot en met december 2008.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 maart 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2012. In overleg met belanghebbende zijn de jaren 2007 en 2008 herbeoordeeld omdat alleen in deze jaren KOT is toegekend.
- UHT heeft bij beschikking van 20 juli 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1 eerste lid Wht niet van toepassing is voor de maanden oktober tot en met december 2008.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de maanden oktober tot en met december 2008.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 38.535,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 38.653,-voor het jaar 2007 en de periode januari tot en met september 2008.
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 september 2023, ingekomen op 1 september 2023, tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 20 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 21 mei 2025 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik zal maken van de mogelijkheid het bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2007 en de periode januari tot en met september 2008 op de juiste wijze heeft berekend. De Commissie stelt vast dat niet in geschil is of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de periode oktober tot en met december 2008 af te wijzen.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn toegezonden, waaronder de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC), het Informatie- en beoordelingsformulier en de berekening van de component 'rentevergoeding over gemiste kinderopvangtoeslag'. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
Nu de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn toegezonden is van een motiveringsgebrek zoals belanghebbende betoogt naar de Commissie meent voorts geen sprake. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
UHT stelt zich in de beschouwing op het standpunt dat zowel de startdatum (11 november 2009) als de einddatum (31 juli 2023) van de berekende vergoeding voor immateriële schade onjuist zijn; dit had 29 november 2009 en 27 juli 2023 moeten zijn, maar dit wordt niet aangepast. Het hanteren van de juiste data had voor het aantal halve jaren, en dus voor het toegekende bedrag, niet uitgemaakt.
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T. Naar de opvatting van de Commissie moet dit beleid ook in het geval van belanghebbende worden gevolgd en is daarom de oorspronkelijke startdatum van 11 november 2009 juist. Dit is immers de datum van de eerste (interne) vooringenomen handeling door B/T, blijkend uit de melding van 11 november 2009 in de tijdlijn/RKT bestand 2007. De Commissie merkt nog op dat UHT geacht wordt dit beleid ook in vergelijkbare gevallen consistent toe te passen.
Het bedrag van € 14.000,- dat is toegekend en ook niet wordt aangepast, is naar de Commissie meent, juist.
UHT stelt zich in de beschouwing ten aanzien van de rentevergoeding voor gemiste KOT op het standpunt dat deze onjuist is berekend, maar dat dit in het voordeel van belanghebbende is. Het juiste bedrag voor 2007 is € 5.723,-, het toegekende bedrag is € 5.730. Het juiste bedrag voor 2008 is € 4.075,-, het toegekende bedrag is € 4.080,-. UHT verwijst naar de renteberekening in productie 2700103 en 2700105. Het bedrag in de compensatieberekening zal niet worden aangepast. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.
Het gegeven dat de KOT voor het volgende (toeslag)jaar automatisch is gecontinueerd, maakt naar het oordeel van de Commissie niet dat er om die reden sprake is van institutioneel vooringenomen handelen.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter