Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14694

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 31 augustus 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 20 oktober 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 4 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 34.565 voor de toeslagjaren 2008, de maanden januari tot en met mei 2009 en 2012 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2006, 2007, de maanden juni tot en met december 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013. In overleg tussen belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar is een herbeoordeling over de toeslagjaren 2006 tot en met 2014 uitgevoerd.
  • UHT heeft bij besluit van 25 augustus 2022 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 26 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de toeslagjaren 2006, 2007, de maanden juni tot en met december 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 31 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €34.565 voor de toeslagjaren 2008, de maanden januari tot en met mei 2009 en 2012 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2006, 2007, de maanden juni tot en met december 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 september 2023, ingekomen op 25 september 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 2 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 20 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2006, 2007, de maanden juni tot en met december 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014 af te wijzen.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige herstel- en persoonlijk dossier niet kan worden beoordeeld of het besluit op goede gronden is genomen. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing van UHT en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2010 en 2011

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2010 en 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. De voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. De KOT over het toeslagjaar 2010 is ten eerste door de stopzettingen van de KOT door belanghebbende verlaagd. Uit de XML-bestanden van de stopzettingen volgt dat deze door belanghebbende zijn doorgevoerd, hetgeen ook niet betwist wordt. Vervolgens is de KOT nogmaals verlaagd op grond van het door belanghebbende ingediende antwoordformulier. De KOT over het toeslagjaar 2011 is vastgesteld op grond van het door belanghebbende ingestuurde antwoordformulier en de jaaropgave. Vervolgens is de KOT door een stijging van het toetsingsinkomen verlaagd. De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Juni tot en met december 2009 en toeslagjaar 2013

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. In de toeslagjaren 2009 en 2013 is de KOT op nihil gesteld, omdat belanghebbende niet zou hebben gereageerd op verzoeken om informatie. Met betrekking tot het toeslagjaar 2009 is het aannemelijk dat belanghebbende wel op het verzoek om informatie heeft gereageerd. De verzoeken om informatie over het toeslagjaar 2013 zijn niet teruggevonden in de systemen van de B/T. Daarom kan niet met zekerheid worden gesteld dat deze aan belanghebbende zijn verzonden. Dit duidt op vooringenomen handelen van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de maanden juni tot en met december 2009 en het toeslagjaar 2013, nu belanghebbende in deze periode geen gebruik heeft gemaakt van registreerde kinderopvang. Daarnaast was zij het toeslagjaar 2013 geen doelgroeper. Belanghebbende heeft de juistheid van dit standpunt ter zitting betwist, zij stelt dat zij wel in die periode als doelgroeper had moeten worden aangemerkt. Door daar geen navraag bij belanghebbende te doen heeft B/T vooringenomen gehandeld. Belanghebbende meent dat de bewijslast voor haar doelgoeperschap niet bij haar zelf ligt maar bij UHT.

De Commissie is van oordeel dat belanghebbende geen gegevens heeft aangedragen waaruit met een begin van aannemelijkheid kan worden afgeleid dat belanghebbende in het toeslagjaar 2013 doelgroeper was. De enkele stelling dat de bewijslast voor het doelgroeperschap bij UHT ligt is daarvoor onvoldoende. Daarnaast heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat het aannemelijk is dat belanghebbende in deze periode wel gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen.

Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de maanden juni tot en met december 2009 en het toeslagjaar 2013 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vergewisplicht

Belanghebbende voert aan dat het onduidelijk is of UHT het advies van de CvW heeft getoetst en hierbij aan haar vergewisplicht heeft voldaan. De Commissie overweegt dat UHT over haar beoordeling van de toeslagjaren waarvoor zij voornemens is geen compensatie toe te kennen, advies vraagt aan de CvW voordat zij een definitief besluit neemt. De CvW is in haar advies voor belanghebbende positief afgeweken van de initiële beoordeling van UHT. Vervolgens heeft UHT in het bestreden besluit het advies van de CvW volledig gevolgd. De Commissie ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat UHT niet aan de vergewisplicht heeft voldaan. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Belanghebbende beroept zich op het, op zichzelf juiste, standpunt dat het compensatiebedrag op onjuiste wijze is berekend. De start- en einddatum van de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade is berekend, zijn onjuist vastgesteld.

Het gebruik van de juiste start- en einddatum leidt echter niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade. Het aantal halve jaren waarover de vergoeding wordt berekend verandert immers niet. De Commissie constateert daarnaast dat de rentevergoeding over gemiste KOT voor toeslagjaren 2008, de maanden januari tot en met mei 2009 en 2012 onjuist is berekend. Bij de berekening van deze vergoeding is van een onjuiste start- en einddatum uitgegaan. De Commissie adviseert UHT dit niet aan te passen, omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn. Belanghebbende stelt dat zij kosten heeft gemaakt voor juridische bijstand bij het indienen van de bezwaarschriften met betrekking tot de toeslagjaren 2008 en 2009. Aangezien de Commissie geen gronden aanwezig acht om het bestreden besluit te herroepen komt zij niet toe aan advisering over deze kosten.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:

  • het bestreden besluit in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter