BAC 2023-14661
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 september 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 23 april 2025
Overdracht advies aan UHT: 11 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €28.982,- voor de jaren 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2013. Het oorspronkelijke herbeoordelingsverzoek is uitgebreid met de toeslagjaren 2011 en 2014.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 12 juli 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €28.811,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 4 september 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €28.982,- voor de jaren 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 september 2023, ingekomen op 6 oktober 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 24 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 23 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 8 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie met bijlagen ingediend. Gemachtigde heeft daar op 15 mei 2025 met bijlagen op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2013 en 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2011 af te wijzen.
Motivering van het besluit en 'equality of arms'
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in zijn procesbelang geschaad, omdat hij niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de "Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen", is op 26 februari 2024 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie verzoekt UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing compensatie over toeslagjaar 2011
Belanghebbende kan zich niet verenigen met dit besluit en de gronden waar het besluit op rust.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2011 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Automatische continuering van de KOT
Belanghebbende stelt dat de KOT in het toeslagjaar 2011, 2013 en 2014 initieel is bepaald op basis van automatische continuatie. Als gevolg hiervan is belanghebbende in de problemen gekomen. De wijze waarop de B/T omging met de automatische continuatie was onzorgvuldig.
De Commissie overweegt dat het gegeven dat de KOT voor het volgende (toeslag)jaar automatisch is gecontinueerd, naar het oordeel van de Commissie niet maakt dat er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. Belanghebbende heeft niet onderbouwd op welke grond de continuering van de KOT in haar geval als onzorgvuldig is te beschouwen. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Compensatie over toeslagjaar 2013 en 2014
Belanghebbende betoogt dat de vergoeding voor immateriële schade en rente over gemiste KOT onjuist zijn berekend en dient te worden aangepast. Naar aanleiding hiervan dient ook de aanvullende compensatie van 1% te worden aangepast.
Toeslagjaar 2013
UHT erkent in de beschouwing dat de compensatieberekening onjuist is en heeft in de Bijlage bij de compensatieberekening een toelichting per jaar gegeven. Met betrekking tot toeslagjaar 2013 is de grondslag onder component b niet juist, maar UHT zal dit bedrag niet aanpassen omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn. Het bedrag onder component c (de niet ontvangen of terugbetaalde KOT excl. Toeslagrente) is ook onjuist. Dit had €5.890,- moeten zijn.
Ook dit bedrag zal niet worden aangepast, omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn. Verder is het bedrag onder component e (de niet ontvangen of terugbetaalde KOT incl. toeslagrente) niet juist. Dit had €6.095,- moeten zijn, maar in het voordeel van belanghebbende zal UHT dit bedrag niet aanpassen. Het bedrag onder component f (het verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT incl. aan belanghebbende betaalde toeslagrente) is onterecht vastgesteld op €3.711,- in plaats van €0,-. In het voordeel van belanghebbende zal dit bedrag ongewijzigd blijven. Voorts is het bedrag onder component h (materiële schade van 25%) onjuist vastgesteld op €2.452,- in plaats van €1.524,-. Dit bedrag zal in het voordeel van belanghebbende niet worden aangepast. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.
Vergoeding voor immateriële schade en rente over gemiste KOT toeslagjaren 2013 en 2014
UHT erkent dat de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade voor toeslagjaren 2013 en 2014 onjuist is vastgesteld op 4 april 2014. Dit had 8 april 2014 moeten zijn, de dagtekening van de brief waarin werd aangekondigd dat de KOT zou worden stopgezet (productie 1214006). UHT zal dit bedrag niet aanpassen omdat de gehanteerde startdatum in het voordeel van belanghebbende is. Ook de rente over gemiste KOT is onjuist berekend over 2013 en 2014. Volgens artikel 27 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen had de rente berekend moeten worden vanaf 1 juli van het opvolgend jaar tot en met de dagtekening van de compensatiebeschikking. Omdat het aanpassen van dit component nadelig zal zijn voor belanghebbende, blijft het bedrag ongewijzigd.
De Commissie overweegt dat het bedrag van de vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid (op grond van artikel 2.3, lid 4). UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T, in dit geval 4 april 2014 (productie 1214005). Naar de opvatting van de Commissie is er geen aanleiding waarom dit beleid ook in het geval van belanghebbende niet zou worden gevolgd. Dat betekent dat 4 april en niet 8 april 2014 als startdatum dient te worden gehanteerd. Deze datum is daarom door het UHT terecht als startdatum genomen, in plaats van de nu door UHT genoemde datum van 8 april 2014.
Met betrekking tot de rente over gemiste KOT (component o) overweegt de commissie het navolgende. Nu UHT is uitgegaan van een hoger bedrag als grondslag voor de berekening, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. Nu voornoemde componenten van compensatieberekening niet zullen worden aangepast, zal ook de aanvullende vergoeding van 1% ongewijzigd (component p) blijven.
Stopzetting van de KOT in 2011 en 2013
Belanghebbende betoogt dat de stopzettingen niet door haar zijn doorgevoerd. Volgens gemachtigde zijn de XML-bestanden niet met de DigiD van belanghebbende ondertekend. Daarnaast stelt gemachtigde dat de melding 'burger zet toeslag stop' een samenvatting betreft van een onderliggend XML-bestand. Als samenvatting kan het derhalve geen grondslag zijn voor een besluit op bezwaar. Alleen een onderliggend brondocument voldoet aan artikel 3:2 Awb. Alleen als het onderliggende XML-bestand met de DigiD van belanghebbende is ondertekend, is het aannemelijk dat zij zelf de wijziging heeft doorgegeven, dan wel moet de wijziging redelijkerwijs voor haar rekening komen.
Met betrekking tot toeslagjaar 2013 blijft het standpunt van UHT ongewijzigd. Voor wat betreft de fictieve compensatiebeschikking over dit jaar heeft UHT verklaard dat het niet eenduidig vast te stellen is of het in het voordeel van belanghebbende is wanneer het bedrag onder component a wordt vastgesteld op € 11.564,- en het bedrag onder component b op € 8.673,-. Deze onzekerheid hangt samen met het feit dat de periode van afgenomen kinderopvang is verkort van 31 december 2013 tot 30 september 2013. Op 28 september 2013 is er een elektronische melding geregistreerd waaruit blijkt dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet, met als gewenste ingangsdatum 1 oktober 2013. Aangezien dit een reguliere verlaging betreft, is de beschikking met kenmerk T1300491 - waarin het bedrag van € 11.564,- wordt genoemd - niet als uitgangspunt genomen bij de beoordeling.
In de tijdlijn in het beoordelingsformulier (pagina 27 van het dossier) is weergegeven dat belanghebbende op 28 september 2013 de KOT met ingang van 1 oktober 2013 zelf heeft stopgezet. Deze stopzetting van opvang spoort met de weergegeven informatie van de KOI-viewer, dat per 1 oktober 2013 geen opvang werd afgenomen. De aanwezige XML bevat gelijke gegevens.
In de voorhanden gegevens ziet de Commissie geen aanknopingspunt dat de stopzetting niet door belanghebbende is gedaan. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Desgevraagd heeft UHT toegelicht dat de vermelding "damage 489" duidt op een terugvordering die ten onrechte is verstuurd als gevolg van een technische fout. In het geval van belanghebbende is echter geen terugvordering aangetroffen die hiermee samenhangt, waardoor er volgens UHT geen sprake is van daadwerkelijk geleden schade. Tot slot heeft UHT geen verklaring kunnen vinden voor de melding met betrekking tot de "profiling tool".
Belanghebbende heeft op de hoorzitting gesteld dat de KOI heeft aangegeven dat zij de KOT niet heeft ontvangen. De Commissie heeft naar aanleiding van deze stelling aan UHT verzocht om na te gaan of de KOT daadwerkelijk aan de KOI is uitbetaald en of de bijbehorende rekeningnummers overeenkomen met die van de KOI. UHT heeft hiertoe een overzicht overgelegd waarop de stortingen zijn weergegeven. Voor belanghebbende rijst nog de vraag waaruit blijkt dat deze bankrekening inderdaad toebehoort aan kinderopvang X, aangezien zij toentertijd stelden niets ontvangen te hebben. Nu er geen aanknopingspunten zijn dat sprake zou zijn van onregelmatigheden inzake de bankrekening - nergens in het dossier is twijfel zichtbaar of af te leiden - gaat de Commissie van de juistheid uit.
Verzoek tot herbeoordeling van toeslagjaar 2010
Op de hoorzitting heeft gemachtigde gesteld dat het niet duidelijk is waarom toeslagjaren 2010 en 2012 niet zijn beoordeeld. Op basis van de beschikking over 2011 is de KOT automatisch gecontinueerd. Hierdoor zou de KOT ook voor toeslagjaren 2010 en 2012 toegekend moeten worden. UHT heeft toegezegd te zullen nagaan of toeslagjaren 2010 en 2012 meegenomen kunnen worden in de onderhavige procedure. Bij e-mail van 15 mei 2025 heeft gemachtigde verklaard dat op basis van het SAS-overzicht kan worden volstaan met een herbeoordeling van het jaar 2010.
De Commissie houdt onderstaande bezwaarprocedure niet aan, maar geeft UHT in overweging dat UHT belanghebbende door middel van een schriftelijke vooraankondiging, voorafgaande aan het nemen van het besluit op bezwaar, over de uitkomst van de herbeoordeling informeert en daarop een reactie van belanghebbende vraagt.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter