BAC 2023-14651
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 augustus 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 8 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 4 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 22 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.
De beschikking van 22 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHO, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 11.913, aangevuld tot € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, voor de jaren 2016 en 2017 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in het jaar 2016 bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) fouten heeft gemaakt. In toeslagjaar 2017 is er sprake van een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) kwalificatie.
Procesverloop
- Op 27 oktober 2022 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling. De herbeoordeling ziet op de jaren 2016 en 2017.
- Bij beschikking van 14 november 2022 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets vooralsnog niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- Op 11 mei 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor het jaar 2017, noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie. Voor dit toeslagjaar komt belanghebbende wel in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming.
- Bij beschikking van 22 augustus 2023 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende voor de jaren 2016 en 2017 een definitief compensatiebedrag van € 11.913 krijgt toegekend.
- Op 28 september 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.
- Op 9 december 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 8 juli 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid heeft dit bezwaar behandeld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Persoonlijke dossier
Gemachtigde stelt dat het volledige persoonlijke dossier van belanghebbende nog altijd niet is toegezonden. Daarnaast ontbreekt de nadere onderbouwing voor de constatering dat belanghebbende niet op de Fraude Signalering Voorziening lijst (hierna: FSV) was opgenomen en dat er geen aanwijzingen zijn voor discriminatie. Dit geldt eveneens voor de O/GS-kwalificatie voor de toeslagjaren 2016 en 2017.
De Commissie overweegt dat de schriftelijke beschouwing vergezeld is gegaan met stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Deze, op de zaak betrekking hebbende, stukken zijn op 26 maart 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde 'persoonlijke dossier' evenals de stukken die ten grondslag liggen aan het vaststellen van het O/GS en het FSV-onderzoek, niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie overweegt verder dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet beoordeelt of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Definitieve compensatieberekening
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft daarbij ambtshalve opgemerkt dat de rentevergoeding gemiste KOT voor het jaar 2016 onjuist is vastgesteld. Ingevolge artikel 2.3, lid 7, Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor het jaar 2016 op een hogere rentevergoeding wordt uitgekomen. Dit zal worden aangepast in de beslissing op bezwaar.
Gemachtigde heeft ter zitting aangevoerd dat component a van de compensatieberekening voor toeslagjaar 2016 onjuist is vastgesteld, nu B/T de KOT in dit jaar heeft stopgezet. Gemachtigde stelt dan ook dat met het bedrag van € 10.933 gerekend dient te worden. UHT stelt zich op het standpunt dat uit het bezwaardossier volgt dat de KOT is bijgesteld naar aanleiding van een melding van de kinderopvanginstelling.
De Commissie overweegt dat B/T in beginsel uit mag gaan van de gegevens die door een kinderopvanginstelling worden aangeleverd. Er waren in het geval van belanghebbende geen aanwijzingen om te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens, temeer nu uit de door belanghebbende destijds aangeleverde stukken volgt dat er in de maand december van het jaar 2016 geen opvang heeft plaatsgevonden. Het is de Commissie derhalve niet gebleken van een onterechte verlaging van de KOT. De Commissie adviseert dan ook om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Voorts overweegt de Commissie ten aanzien van de vergoeding voor de materiële en immateriële schade dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. Zulks te minder omdat de Wht ook voorziet in de mogelijkheid om vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade te vragen via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade. Het betoog van gemachtigde op dit punt slaagt niet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Ten aanzien van de berekening immateriële schade heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen. Ten aanzien van de aanvangsdatum volgt uit de bijlage bij de schriftelijke reactie van UHT, dat zij de gehanteerde aanvangsdatum van 8 februari 2018 in de beslissing op bezwaar niet zal aanpassen naar de door UHT genoemde (aanvangs)datum van 16 maart 2018.
De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen. De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.
Toeslagjaar 2017
Ter zitting heeft gemachtigde de stelling opgeworpen dat belanghebbende voor toeslagjaar 2017 ook gecompenseerd dient te worden op basis van vooringenomenheid. Uit het bezwaardossier volgt dat de KOT in dit jaar is stopgezet, nu er geen sprake was van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende komt daardoor niet in aanmerking voor compensatie.
De Commissie ziet in de stelling van belanghebbende dat B/T met het door belanghebbende ingediende herzieningsverzoek onzorgvuldig is omgegaan en in de stelling van belanghebbende dat er met betrekking tot dit jaar vooringenomen is gehandeld, omdat de KOT in toeslagjaar 2016 eenzijdig door B/T is stopgezet, geen aanknopingspunten om UHT niet te volgen in het standpunt dat er geen reden is voor compensatie. De Commissie constateert immers dat er in 2017 geen sprake is geweest van geregistreerde opvang. De Commissie adviseert derhalve het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Voorts heeft gemachtigde ter zitting gesteld dat in de definitieve compensatieberekening geen rekening is gehouden met de toegekende O/GS-tegemoetkoming van € 441. Belanghebbende stelt dat het aanvullende compensatiebedrag daarmee € 17.646 dient te bedragen en niet € 18.087 zoals uit het bestreden besluit volgt. Belanghebbende tekent hierbij aan dat dit van belang is voor een eventuele procedure bij de Commissie van Werkelijke Schade. UHT heeft ter zitting toegezegd dat zij dit in de beslissing op bezwaar zal meenemen en nader zal motiveren. De Commissie adviseert dan ook om aan deze toezegging gevolg te geven.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit van 22 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHO naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 22 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter