Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14572

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 augustus 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 18 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 10 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, alsnog compensatie toe te kennen voor het jaar 2012, de maanden maart tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016, de compensatieberekening hierop aan te passen en het verzoek om een vergoeding van proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 17 augustus 2023 (UHT-DCH).

Aan belanghebbende is bij deze beschikking met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 1.720,- voor de maanden januari en februari van het jaar 2013 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2012, de maanden maart tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2018. In overleg met belanghebbende heeft UHT de jaren 2012 tot en met 2016 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 21 augustus 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2012, de maanden maart tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016 de compensatieregeling niet van toepassing is.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 1.720,- voor de maanden januari en februari van het jaar 2013 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2012, de maanden maart tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 september 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 3 september 2024 met een beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 4 juni 2025 nader gereageerd en de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) van 2012 tot en met 2016 toegezonden.
  • [Naam], kantoorgenoot van gemachtigde, heeft bij brief van 13 juni 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 18 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich, mede in aanmerking genomen de gronden van het bezwaar van belanghebbende, gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de maanden januari en februari van het jaar 2013 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen voor het jaar 2012, de maanden maart tot en met december 2013 en de jaren 2014, 2015,.

Alsnog compensatie over toeslag}aar 2012

In de beschouwing stelt UHT zich op het standpunt dat belanghebbende voor toeslagjaar 2012 alsnog in aanmerking komt voor compensatie op basis van vooringenomenheid. Grondslag voor de berekening (component a) is een bedrag van € 1.652,-. Bij de berekening van de compensatie zullen alle hiermee samenhangende componenten worden meegenomen. De berekening zal doorlopen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

Januari en februari 2013

UHT stelt zich in de beschouwing verder op het standpunt dat voor de maanden januari en februari bij nader inzien toch geen sprake is geweest van individuele vooringenomenheid. In verband met het verbod van reformatio in peius zal de aanspraak op compensatie voor het toeslagjaar 2013 hieraan in de beslissing op bezwaar echter niet worden aangepast.

De Commissie overweegt dat in het kader van de hersteloperatie, gelet op de aard van de materie, zeer terughoudend dient te worden omgegaan met het terugkomen op een eerdere beoordeling dat jegens de belanghebbende vooringenomen is gehandeld. In dit geval is UHT op basis van dezelfde feiten en omstandigheden op grond waarvan in het bestreden besluit tot compensatie is overgaan, met een andere weging tot het nadere oordeel gekomen dat toch geen sprake is geweest van vooringenomen handelen.

Nu het bestreden besluit echter, naar de Commissie aanneemt, in de beslissing op bezwaar voor toeslagjaar 2013 niet zal worden aangepast, zal de Commissie zich over de inhoud van de nadere beoordeling van de vooringenomenheid niet uitlaten.

Afwijzing compensatie voor de periode maart tot en met december 2013 en de }aren 2014 tot en met 2016

Voor de periode maart tot en met december 2013 stelt UHT zich net als voor januari en februari 2013 op het nadere standpunt dat, anders dan in de eerdere beoordeling, geen sprake was van vooringenomen handelen. Het bestreden besluit wordt echter niet aangepast ten aanzien van 2013. Omdat niet aannemelijk is dat sprake is geweest van gekwalificeerde opvang, is sprake van evident geen recht en komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie op basis van vooringenomenheid voor toeslagjaar 2013. Voor de jaren 2014 tot en met 2016 stelt UHT zich op het standpunt dat sprake is van vooringenomen handelen (niet tweemaal uitvraag gedaan), maar komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie, omdat in KOI-viewer geen informatie over kinderopvang is aangetroffen.

Volgens UHT bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de opvanggegevens over 2013 die door de kinderopvanginstelling zijn aangeleverd en geregistreerd, omdat de kinderopvanginstelling voor andere aanvragers wel opvanggegevens heeft doorgegeven. Bij gebrek aan nadere informatie moet dan ook worden aangenomen dat belanghebbende over de periode maart tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016 geen opvang heeft afgenomen.

Belanghebbende bestrijdt de juistheid van de inhoud van KOI-viewer. Zij heeft alle jaren gewerkt en heeft in de gehele periode opvang afgenomen bij BSO Kuikennest. De wetgever heeft in het kader van de hersteloperatie uitdrukkelijk bepaald dat de verklaring van de ouder moet worden meegewogen.

Belanghebbende heeft geen schriftelijke bewijsstukken van de opvang, omdat alles via het portaal werd geregeld. Zij verwijst naar e-mailberichten van de kinderopvanginstelling uit 2013, 2014 en 2015 over de SWK Pas, haar jaaropgave en de wijziging van haar wachtwoord. Belanghebbende heeft navraag gedaan bij de kinderopvanginstelling. De medewerker van de opvang kon zich herinneren dat het kind van belanghebbende op de opvang heeft gezeten. Desgewenst kan zij deze medewerker nog vragen om een schriftelijke verklaring. Ook heeft zij geprobeerd bewijzen van betaling te achterhalen maar de bankgegevens zijn niet meer beschikbaar.

Verder stelt belanghebbende dat indien UHT stelt dat evident geen recht op KOT bestaat, UHT zeker moet weten dat er geen opvang is geweest over die periode. Hiervan is in dit geval geen sprake. Gemachtigde verwijst naar paragraaf 2.3.1 van het Handboek Integrale Beoordeling - Vaktechniek van UHT.

De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht op aanvraag compensatie kan toekennen als aan de voorwaarden in dat lid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

Belanghebbende wijst naar het oordeel van de Commissie terecht op het Handboek Integrale Beoordeling - Vaktechniek van UHT, versie 3.14, pagina 20, waar hierover staat vermeld: "Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen."

De Commissie meent dat UHT niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Dat geen gegevens voorkomen in KOI-viewer voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 is voor de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende over die jaren geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat daarom "evident geen recht" op kinderopvang bestond. Van de juistheid van de gegevens in KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen. De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden. Hoewel in KOI-viewer 2013 wél opvanggegevens zijn opgenomen over de maanden januari en februari 2013 en gegevens ontbreken over de maanden maart tot en met december 2013, overweegt de Commissie dat in dit geval, gelet op de samenhang met de jaren 2014 tot en met 2016, ook voor deze periode de enkele verwijzing naar het ontbreken van gegevens in KOI-viewer onvoldoende is om aan te nemen dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. De Commissie overweegt dat niet ter discussie staat dat belanghebbende alle jaren heeft gewerkt en dat, juist omdat geen uitvraag is gedaan voorafgaand aan de verlaging/nihilstelling, het enkele ontbreken van opvanggegevens in KOI-viewer belanghebbende niet kan worden tegengeworpen. De Commissie volgt UHT niet in de stelling dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de lege KOI-viewers 2014-2016, omdat de kinderopvanginstelling voor andere aanvragers wel opvanggegevens heeft doorgegeven, nu deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd.

De Commissie zal UHT gelet op het voorgaande adviseren voor de maanden maart tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016 alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen. Het bezwaar is gegrond.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit in de beslissing op bezwaar dient te worden herroepen adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:

  • het bestreden besluit te herroepen en alsnog compensatie toe te kennen voor het jaar 2012, de maanden maart tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016 en de compensatieberekening hierop aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter