Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14562

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 26 juli 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 16 juli 2025

Overdracht advies aan UHT: 23 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • UHT heeft bij beschikking van 8 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 september 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 5 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 16 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gelet op het bezwaar gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over het jaar 2018 af te wijzen.

Belanghebbende stelt dat hij in aanmerking komt voor compensatie over het jaar 2018 omdat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de KOT bij besluit van 6 maart 2021 ten onrechte op nihil heeft gesteld. B/T heeft dat besluit gemotiveerd met de stelling dat de echtgenote van belanghebbende geen inkomen had uit werk. Dat acht belanghebbende een onjuiste motivering, omdat zijn echtgenote inkomen had uit haar werk in China. Daarnaast doet hij een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Volgens artikel 2.1 lid 1 Wht vindt toekenning van compensatie plaats aan aanvragers die gedupeerd zijn door institutionele vooringenomenheid of door de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 aan het wettelijke systeem werd gegeven. Deze tijdsgrens is bepaald op datum van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het kader voor de besluitvorming over de KOT hebben veranderd. Dat betekent dat de Wht niet van toepassing is op handelingen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vanaf 23 oktober 2019, tenzij die handelingen causaal verband houden met vooringenomen handelingen van vóór die datum.

De Commissie begrijpt het bezwaar van belanghebbende zo, dat hij stelt dat dit causale verband aanwezig is. Hij heeft aangevoerd dat de besluiten van B/T over de voorgaande jaren vanaf 2011, waarin aan hem wél KOT werd toegekend, bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat hij ook voor toeslagjaar 2018 recht had KOT. Immers is zijn situatie in 2018 niet gewijzigd; vanaf mei 2010 tot november 2019 woonde en werkte zijn echtgenote in China, terwijl belanghebbende woonde en werkte in Nederland.

De Commissie ziet in het voorgaande geen aanknopingspunt om aan te nemen dat vóór 23 oktober 2019 vooringenomen handelingen door B/T hebben plaatsgevonden die verband houden met de nihilstelling van de KOT voor 2018. De Commissie is van mening dat besluiten waarin aan een belanghebbende conform diens aanvraag KOT wordt toegekend, per definitie niet kunnen worden gezien als vooringenomen handelen door B/T. Overigens is niet gebleken dat aan belanghebbende andere mededelingen zijn gedaan op basis waarvan hij erop mocht vertrouwen dat zijn KOT over 2018 niet zou worden teruggevorderd.

Het besluit van 6 maart 2021 over toeslagjaar 2018 valt daarom buiten de reikwijdte van de Wht. De reguliere rechtsmiddelen zijn hierop van toepassing. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ten overvloede overweegt de Commissie dat ook indien het besluit van 6 maart 2021 binnen de reikwijdte van de Wht zou vallen, dit niet tot het door belanghebbende beoogde resultaat had geleid. Ook in dat geval zou de Commissie UHT hebben geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren.

De Commissie is namelijk van mening dat het besluit van 6 maart 2021, hoewel in deze procedure tussen partijen vast is komen te staan dat dit besluit niet correct is gemotiveerd, wel een terecht besluit is geweest. Omdat de toeslagpartner van belanghebbende in 2018 buiten de EU woonde, had belanghebbende op grond van artikel 1.6, lid 3, van de Wet Kinderopvang (geldend tot 4 maart 2022) geen recht op KOT. B/T was niet gehouden om eerder toekennende besluiten, die achterafgezien op onjuiste grondslagen berusten, voort te zetten voor daaropvolgende toeslagjaren.

Het motiveringsvereiste en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter