BAC 2023-14554
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 31 juli 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 13 mei 2025 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 12 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 4 september 2023 is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 en 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 april 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2017.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 juli 2023 UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 31 juli 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2016 en 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 september 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 13 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 15 mei 2025 de bevestiging van de aanvraag van belanghebbende (TVS melding) verstrekt. Gemachtigde heeft daar op 23 mei 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende meent dat bij de voorbereiding en totstandkoming van het besluit niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen.
De Commissie overweegt dat UHT de bestreden beslissing inderdaad niet uitvoerig heeft toegelicht, maar dat dit niet impliceert dat er van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is.
De Commissie is van mening dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van het invul- en beoordelingsformulier, beschikkingen en overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.
Ontbrekende stukken/volledige dossier/equality of arms
Gemachtigde stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke reactie en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen compensatie
Belanghebbende stelt dat zij wel recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2016 en 2017.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2016 en 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. Voor 2016 was er geen sprake van een neerwaartse correctie en voor 2017 heeft belanghebbende de KOT zelf stopgezet. Het gaat daarom om een reguliere wijziging. Belanghebbende heeft het tegendeel hiervan niet voldoende aannemelijk gemaakt. De bijstelling is daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
Belanghebbende komt voor deze jaren dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft gesteld dat de B/T bij de terugvorderingen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl daar wel gegevens over voorhanden waren bij de B/T. Daarom is in haar ogen sprake van hardheid bij de toepassing van het toeslagenstelsel door de B/T.
De Commissie merkt op dat de algemene stellingname dat geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet, onvoldoende is om hardheid van het stelsel aan te nemen.
Daarnaast heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden die de stellingname van belanghebbende onderschrijven.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan bovendien niet worden afgeleid dat de wetgever bij hardheid situaties van verrekening voor ogen heeft gehad. Die situatie wordt immers niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt voorts aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiƫle tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). De Commissie acht het bezwaar op dit punt daarom ongegrond.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter