BAC 2023-14535
Publicatiedatum 28-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 juli 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 23 juni 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 14 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen procesvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 27 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012, 2013 en 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 februari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 7 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 juni 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van art. 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012, 2013 en 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 31 augustus 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 7 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 23 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 25 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar, na herhaalde verzoeken hiertoe, niet op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Schending motiveringsbeginsel, ontbrekende stukken en equality of arms
De Commissie constateert dat het bestreden besluit is gebaseerd op de documenten in het bezwaardossier en aanvullende overgelegde producties. Hieronder bevinden zich het informatie- en beoordelingsformulier, de tijdlijn en de (aanvullende) schriftelijke reacties van UHT waarin een uitgebreide toelichting is gegeven op de betrokken toeslagjaren. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking voldoende heeft toegelicht en gemotiveerd.
Gemachtigde voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In zijn ogen wordt belanghebbende in haar procesbelang geschaad, omdat de B/T wel en zij niet de beschikking heeft over het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen een beslissing op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing, met de bijbehorende producties, is op 26 februari 2025 aan gemachtigde toegezonden.
Gemachtigde en belanghebbende hebben kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende niet in zijn procesbelangen is geschaad.
De Commissie acht de bezwaren ongegrond.
De Commissie gaat hieronder in op de bezwaren die de gemachtigde te berde bracht op de hoorzitting.
Beoordeling afwijzing forfaitaire compensatie over het toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in het toeslagjaar 2014 vooringenomen heeft gehandeld jegens haar en zij recht heeft op compensatie.
Op 21 maart 2014 heeft belanghebbende een voorschotbeschikking ontvangen van € 3.295,-. “Dit als gevolg van een wijziging van de opvanguren, zoals doorgegeven door de ouder.” Belanghebbende betwist de wijziging in opvanguren te hebben doorgegeven. Het is belanghebbende onbekend waarom deze wijziging is doorgevoerd en de KOT naar beneden is bijgesteld. Dit blijkt volgens belanghebbende ook niet uit de tijdlijn.
UHT heeft een toelichting gegeven op alle wijzigingen van de toeslagjaren 2012 tot en met 2014. Met betrekking tot het toeslagjaar 2014 wordt toegelicht dat de KOT neerwaarts is bijgesteld bij beschikking van 21 maart 2014 omdat belanghebbende op 12 februari 2014 telefonisch een wijziging in het aantal opvanguren had doorgegeven (van 96 naar 46 uur). Dit volgt ook uit de tijdlijn. UHT heeft het XML-bestand en de gevraagde TVS-melding overgelegd. UHT concludeert dat de KOT voor het toeslagjaar 2014 is vastgesteld op basis van de door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en informatie van de KOI. Er is geen sprake van institutioneel vooringenomenheid door de B/T.
De Commissie constateert dat uit het XML-bestand en de toegestuurde TVS-melding na de hoorzitting blijkt dat belanghebbende zelf op 12 februari 2014 telefonisch een wijziging van het aantal opvanguren heeft doorgegeven. De opvanguren werden verlaagd van 96 naar 46 uur. Daarop volgde de beschikking van 21 maart 2014 met de neerwaartse correctie van € 6.591,- naar € 3.295,-. Dit betreft een reguliere wijziging. Voor dergelijke wijzigingen bestaat geen recht op compensatie op grond van de Wht.
Verder stelt belanghebbende dat:
- zij nooit is getrouwd voor de Nederlandse wet. Een wettelijke registratie van het huwelijk ontbreekt;
- de B/T de verblijfsstatus van haar partner verkeerd heeft beoordeeld bij de stopzetting van de KOT op 21 november 2014. Volgens belanghebbende verbleef de partner rechtmatig in Nederland op basis van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden voor bepaalde tijd;
- er geen nader onderzoek is verricht of nadere informatie is opgevraagd bij haar of haar partner voorafgaand de stopzetting van de KOT.
Daarom is er sprake van vooringenomen handelen.
In haar aanvullende reactie van 25 juli 2025 heeft UHT de stellingen van belanghebbende nader uitgezocht en beoordeeld:
- in de systemen van de B/T is de burgerlijke staat van belanghebbende als gehuwd weergegeven (productie 2700117 in het bezwaardossier). De burgerlijke staat staat geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP). Een wijziging in de burgerlijke staat wordt alleen doorgevoerd wanneer deze zelf wordt doorgegeven. Belanghebbende heeft destijds zelf aangegeven getrouwd te zijn met haar partner.
In artikel 3, eerste lid, Awir wordt een echtgenoot als fiscale partner aangemerkt. Belanghebbende is hier op 13 oktober 2014 bij brief (productie 1214012 in het bezwaardossier) over geïnformeerd. Verder is belanghebbende in deze brief er op gewezen dat zij in het portaal ‘Mijn Toeslagen’ kon doorgeven dat haar partner niet haar toeslagpartner was. Dit heeft belanghebbende destijds niet gedaan.
- De partner van belanghebbende is naar Nederland gereisd op basis van een Spaans verblijfsdocument met de aantekening ‘langdurig ingezetene’. Op grond van artikel 8, Vreemdelingenwet 2000, bestaat het recht om met dit document vrij te reizen binnen de Europese Unie (hierna: EU). Het vrij verkeer van gemeenschapsonderdanen binnen de EU kent echter beperkingen. In beginsel moet een Nederlandse verblijfsvergunning worden aangevraagd als sprake is van verblijf voor langer dan drie maanden.
Gemeenschapsonderdanen uit een ander EU-land mogen enkel langer dan drie maanden in Nederland verblijven als zij voldoen aan bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden zijn te vinden in artikel 8.12, Vreemdelingenbesluit 2000. In het geval van de partner van belanghebbende waren deze voorwaarden niet van toepassing. Vanaf 30 april 2014 was sprake van toeslagpartnerschap (huwelijk). Belanghebbende heeft op 13 oktober 2014 een brief van B/T ontvangen waarin werd aangegeven dat er sprake was van toeslagpartnerschap en dat dit mogelijke gevolgen had voor haar toeslagen. Bij besluit van 21 november 2014 werd belanghebbende door de B/T medegedeeld dat de stopzetting van de KOT per 1 mei 2014 was verwerkt. Wanneer 30 april 2014 als begindatum van het verblijf van de toeslagpartner in Nederland wordt genomen, zijn de drie maanden waarin vrij mag worden gereisd binnen de EU op 1 augustus 2014 verstreken. Twee maanden na het verstrijken van deze datum werd belanghebbende bij brief van 13 oktober 2014 geïnformeerd over het bestaan van toeslagpartnerschap. Eén maand later, bij het bestreden besluit van 21 november 2014, werd de KOT verlaagd.
Naar aanleiding van dit besluit dient belanghebbende bezwaar in op 19 november 2014. Bij dit bezwaar is verwezen naar het Spaanse verblijfsdocument. Het is daarom aannemelijk dat op het moment van het indienen van het bezwaar geen Nederlandse verblijfvergunning was afgegeven voor de toeslagpartner van belanghebbende ondanks dat hij op dat moment al zes maanden in Nederland verbleef. Op het moment van het afgeven van de bestreden besluit van 21 november 2014, was er dus geen sprake van een rechtmatig verblijf. De verlaging is terecht.
- Op het moment dat een persoon geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, zoals wordt gesteld door B/T, bestaat er ook geen recht om te werken, te studeren of een uitkering te ontvangen. De B/T had in het geval van belanghebbende geen uitvraag hoeven doen om te bepalen of haar toeslagpartner werkte, studeerde of dat een andere vorm van doelgroeperschap van toepassing was. Er was destijds sprake van evident geen recht op KOT omdat de toeslagpartner niet kon worden beschouwd als doelgroeper.
Belanghebbende komt niet in aanmerking voor compensatie.
Op basis van de stukken en de nadere toelichting van UHT komt de Commissie tot de conclusie dat belanghebbende was gehuwd met haar partner, dat sprake was van toeslagpartnerschap en dat de partner ten tijde van het bestreden besluit van 21 november 2014 geen rechtmatig verblijf had in Nederland. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden in het dossier om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Zij acht de bezwaren ongegrond.
Financiële benadeling door automatische continuering
De Commissie is van opvatting dat op grond van artikel 15 lid 5 Awir een aanvraag KOT wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. De Commissie merkt hierbij nog op dat belanghebbende er zelf voor verantwoordelijk is om tijdig wijzigingen door te geven. De Commissie erkent dat dit financiële gevolgen kan hebben, echter levert het automatisch continueren geen compensatie op grond van hardheid op.
Belanghebbende voert aan dat B/T geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet bij het verrekenen van de terugvorderingen.
Voor zover er sprake was van enige verrekening (hiervoor wordt verwezen naar de LIC-overzichten), was deze onderdeel van de uitvoering die over de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 aan de KOT is gegeven en had deze betrekking op reguliere correcties. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen compensatie op grond van hardheid op.
Aan de bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe.
Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter