Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14499

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 september 2023 met kenmerk UHT-DCHA

Hoorzitting: 30 juni 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 29 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015, 2016, 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015, 2016, 2018 en 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015, 2016, 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 maart 2022 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 juni 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 23 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 30 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 18 augustus 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Beoordeling afwijzing compensatie over de toeslagjaren 2015, 2016, 2018 en 2019

Ingevolge artikel 2.1 en verder Wht komt een belanghebbende in aanmerking voor forfaitaire compensatie over een toeslagjaar, indien er vóór 23 oktober 2019 een neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden over het desbetreffende toeslagjaar waarbij sprake is geweest van individueel of institutioneel vooringenomen handelen ofwel hardheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag.

Belanghebbende maakt bezwaar tegen de afwijzing van de compensatie over de toeslagjaren 2015, 2016, 2018 en 2019. Ter zitting geeft belanghebbende aan dat over het toeslagjaar 2015 geen onduidelijkheden meer bestaan. UHT heeft naar aanleiding van het verzoek van belanghebbende deze toeslagjaren opnieuw bekeken.

Over het toeslagjaar 2015 is aan belanghebbende bij voorschotbeschikking van 21 november 2015 KOT toegekend voor een bedrag van € 1000 voor de periode van 5 oktober 2015 tot 14 januari 2016, conform de aanvraag van belanghebbende. De definitieve beschikking KOT is vastgesteld op € 1000 bij beschikking van 11 november 2016.

Over het toeslagjaar 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) aan belanghebbende tot 14 januari 2016 de KOT toegekend. Dit zoals door belanghebbende aangegeven in zijn aanvraag KOT op 7 oktober 2015. Over het toeslagjaar 2018 heeft de B/T op 21 april 2018 het voorschot KOT vastgesteld op €668. Dit naar aanleiding van de stopzetting van de KOT door belanghebbende per 19 maart 2018. Over het toeslagjaar 2019 is door B/T op 3 mei 2021 het toeslagvoorschot voor 2019 neerwaarts bijgesteld naar € 1.365. Deze correctie heeft plaats gevonden omdat belanghebbende niet alle opvangkosten zou hebben betaald. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar ingediend waarna op 14 juli 2023 het definitieve toeslagvoorschot is herzien naar € 8.381.

Volgens UHT is in deze jaren geen sprake geweest van vooringenomen handelen door de B/T en/of hardheid van het stelsel. B/T heeft voor de jaren 2015, 2016, 2018 en 2019 de neerwaartse correcties op basis van doorgegeven informatie of wijzigingen van belanghebbende uitgevoerd. B/T mocht uitgaan van deze wijzigingen. UHT heeft ter onderbouwing hiervan gewezen op de verschillende producties in het dossier betreffende de stopzettingen. Voor het jaar 2019 wijst UHT erop dat sommige beslissingen pas na 23 oktober 2019 zijn genomen, zoals de neerwaartse bijstelling van 3 mei 2021 die is gebaseerd op de KOT aanvraag van belanghebbende van 6 november 2019 per 4 november 2019.

De Commissie acht het aannemelijk dat het hier gaat om wijzigingen die belanghebbende zelf heeft doorgevoerd. Dat volgt uit de door UHT aangehaalde meldingen en XML-bestanden. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.

Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.

Ten aanzien van neerwaartse bijstelling die is gedateerd na 23 oktober 2019, overweegt de Commissie dat deze handeling zich afspeelt na de periode waarop de Wet hersteloperatie toeslagen betrekking heeft. Nu niet aannemelijk is geworden dat de handeling oorzakelijk verbonden is met vooringenomen handelingen door B/T van vóór 23 oktober 2019 , is de Commissie van oordeel dat het niet binnen haar bevoegdheid valt om hierover te adviseren.

De Commissie adviseert om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

UHT heeft in haar schriftelijke reacties van 23 januari 2023 en 14 augustus 2025 nader toegelicht waarom belanghebbende onder de Wht geen aanspraak kan maken op compensatie. Verder heeft UHT een uitgebreid dossier en aanvullende producties overgelegd. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende hiermee kon beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken. De Commissie ziet geen aanleiding, mede gelet op de gronden van het bezwaar, om te veronderstellen dat UHT bij de totstandkoming van de bestreden beschikking onzorgvuldig heeft gehandeld, of dat de bestreden beschikkingen ondeugdelijk zijn gemotiveerd.

Proceskostenvergoeding

Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter