Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14487

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 augustus 2023 (UHT-DCH), 6 september 2023 (UHT-O OGS B) en 22 april 2025 (UHT-DCHO)]

Hoorzitting: 25 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 26 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 156.262,- voor de jaren 2007 tot en met 2010, de periode maart en april 2015 en het jaar 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 en 2016 en de periode januari en februari 2015 en mei tot en met december 2015. Voor de jaren 2011 en 2016 is aan belanghebbende wel een tegemoetkoming op grond van opzet/grove schuld (O/GS-tegemoetkoming) toegekend van in totaal € 10.608,-.

Procesverloop

Belanghebbende heeft op 6 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2014. Na afstemming met belanghebbende zijn de jaren 2007 tot en met 2011 en 2015 tot en met 2017 herbeoordeeld.

  • UHT heeft bij beschikking van 23 februari 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de compensatieregeling niet van toepassing is voor het toeslagjaar 2011, de maanden januari en februari 2015, de periode 20 april tot en met 31 december 2015 en het toeslagjaar 2016.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 10 februari 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 135.435,-.
  • Bij brief van 24 maart 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een zienswijze hierop ingediend.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 18 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van €143.004,- voor de jaren 2007 tot en met 2010, maart en april 2015 en het jaar 2017 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011, de periode januari en februari en mei tot en met december 2015 en het jaar 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 27 september 2023, ingekomen op 5 oktober 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 6 september 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor het jaar 2016 van € 3.316,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 oktober 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 10 december 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 22 april 2025 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend van €13.258,- en een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor het jaar 2011 van €7.292,-.
  • Bij brief van 19 mei 2025 heeft gemachtigde verzocht om de beschikking van 22 april 2025 te voegen in de lopende bezwaarprocedures.
  • Op 25 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 15 juli 2025 de aanvullende beschouwing van 11 juni 2025 (met nadere berekening) ingediend. Gemachtigde heeft daar op 23 juli 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2010, de periode maart en april 2015 en het jaar 2017 en de O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2011 en 2016 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor 2011 en 2016 en compensatie of tegemoetkoming voor de periode januari en februari 2015 en mei tot en met december 2015 af te wijzen.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. UHT heeft met het toezenden van deze stukken voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening 2007 tot en met 2010, maart en april 2015 en 2017

Belanghebbende betoogt dat de compensatieberekening onjuist is.

In de beschouwing van 10 december 2024 stelt UHT dat de compensatieberekening op de volgende punten in het nadeel van belanghebbende onjuist is vastgesteld: voor 2008 is component i (invorderingskosten en -rente) ten onrechte bepaald op € 1.964,-. Dit moet € 3.058,- zijn. Voor maart en april 2015 is deze component ten onrechte vastgesteld op € 0,-, dit moet € 95,- zijn.

Daarnaast is de rente voor gemiste KOT onjuist berekend, dit moet voor 2007 €13.236,-zijn (in plaats van € 13.035,-), voor 2008 moet dit € 16.249,- zijn (in plaats van € 15.979,-), voor 2009 moet dit € 17.456,- zijn (in plaats van €17.150,-), voor 2010 moet dit € 12.353,- zijn (in plaats van € 12.125,-) en voor 2017 moet dit € 634,- zijn (in plaats van € 609,-).

De KOT die belanghebbende niet heeft terugbetaald of die niet verrekend is (component g) is voor maart en april 2015 onjuist vastgesteld op € 3.917,-; dit moet € 3.514,- zijn; er wordt dan een lager bedrag in aftrek gebracht.

Nu UHT het bezwaar gegrond acht, wordt de vergoeding voor immateriële schade berekend tot de datum van het besluit op bezwaar. Ook wordt de aanvullende vergoeding van 1% aangepast in het voordeel van belanghebbende.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.

De Commissie stelt vast dat in de herziene compensatieberekening van 22 april 2025 en in de compensatieberekening bij de aanvullende beschouwing van 11 juni 2025 de rente voor gemiste KOT, de vergoeding voor immateriële schade en de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw is berekend, in het voordeel van belanghebbende.

Component i voor 2008 en maart en april 2015 is echter nog niet in het voordeel van belanghebbende aangepast. Dit geldt ook voor component g voor maart en april 2015. De Commissie adviseert UHT dit alsnog aan te passen in het besluit op bezwaar.

Op de hoorzitting is namens belanghebbende betoogd dat de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade 20 april 2011 zou moeten zijn, de datum van de eerste neerwaartse correctie. In de berekening bij de aanvullende beschouwing van 11 juni 2025 stelt UHT dat de startdatum (de eerdere datum) 24 december 2010 zou moeten zijn.

De Commissie adviseert UHT gelet daarop de vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf 24 december 2010 tot de datum van het besluit op bezwaar en de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen.

In de beschouwing van 11 juni 2025 stelt UHT ook dat de compensatieberekening in het voordeel van belanghebbende onjuist is. Dit gaat over maart en april 2015. Component a en c is volgens UHT onjuist vastgesteld op € 3.904,-; dit moet €3.514,- zijn. Dit wordt niet ten nadele van belanghebbende aangepast; het bedrag van € 3.904,- wordt gehandhaafd. Voor component e wordt het bedrag van € 3.917,- gehandhaafd.

Tijdens de hoorzitting heeft UHT toegezegd dat onderdelen van de berekening die uiteindelijk lager uitvallen, niet tot een neerwaartse aanpassing zullen leiden.

Component a toeslagjaar 2007

Op de hoorzitting is namens belanghebbende betoogd dat het bedrag onder component a voor toeslagjaar 2007 hoger zou moeten zijn, evenals de daarmee samenhangende componenten, omdat de KOT voor dat jaar onjuist is vastgesteld. Gelet op de totale kosten van opvang (€ 33.485,60) en het inkomen van belanghebbende zou onder component a een bedrag van € 31.811,32 moeten staan in plaats van € 23.952,-.

Alhoewel de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen, adviseert de Commissie UHT om de berekening van component a over 2007 opnieuw te bekijken met inachtneming van wat gemachtigde daarover aanvoert in de e-mail van 23 juli 2025. Een en ander gelet op het substantiële verschil en de door UHT op de hoorzitting gedane toezegging.

O/GS-tegemoetkoming

Aan belanghebbende is bij beschikking van 6 september 2023 een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 3.316,- voor het jaar 2016.

Bij beschikking van 22 april 2025 is aanvullend voor het jaar 2011 een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 7.292,-, in totaal dus een bedrag van €10.608,-. Gelet op de O/GS-vaststelling (productie 1300001) komt de Commissie dit bedrag juist voor. Weliswaar is voor de jaren 2009 en 2010 ook sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie, maar voor die jaren is belanghebbende al gecompenseerd op grond van vooringenomenheid. Op grond van artikel 2.6, lid 4, van de Wht blijft de O/GS-tegemoetkoming dan achterwege. Voor het jaar 2015 is geen sprake van een O/GS-kwalificatie; voor dat jaar is daarom terecht geen O/GS-tegemoetkoming toegekend.

Afwijzing compensatie 2011, 2016 en januari en februari en mei tot en met december 2015

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie voor deze jaren.

Toeslagjaar 2011

UHT stelt dat geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid. Wel is aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend.

De verlaging van de KOT van € 26.515,- naar € 2.210,- is gebaseerd op de door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT met ingang van 1 februari 2011 (productie 1211003).

De andere verlagingen naar € 1.761,- en € 1.742,- zijn op grond van door de kinderopvanginstelling opgegeven opvanguren (productie 1211010, 1211011, 1211012 en 1211013) en door een verhoging van het toetsingsinkomen. Van vooringenomen handelen is geen sprake volgens UHT.

Op de hoorzitting en bij e-mailbericht van 23 juli 2025 is namens belanghebbende aangevoerd dat uit het XML-bestand (productie 1211003) niet duidelijk wordt door wie de stopzetting van de KOT is gedaan; door belanghebbende of ambtshalve door B/T. Ten aanzien van de andere twee verlagingen betoogt belanghebbende dat B/T niet slechts op grond van informatie uit de KOI-viewer tot neerwaartse correctie over mag gaan. Zij wijst er ook op dat zij het hele jaar een opleiding heeft gevolgd (pagina 297 ouderdossier) en daarom behoefte had aan opvang. Het lijkt er daarom op, aldus belanghebbende, dat de KOT ambtshalve is stopgezet en niet door haarzelf.

De Commissie constateert dat uit het XML-bestand blijkt dat op 28 oktober 2011 met de DigiD van belanghebbende de KOT is stopgezet per 1 februari 2011. Het XML-bestand is een digitaal bestand dat ofwel met de DigiD van de belanghebbende is aangemaakt ofwel door een ambtenaar van B/T. In dat laatste geval wordt een username vermeld.1 Dat is hier niet het geval. Hiermee is voldoende aannemelijk dat op 28 oktober 2011 met de DigiD van belanghebbende de KOT is stopgezet per 1 februari 2011. Nu er geen aanwijzingen zijn die op het tegendeel duiden, mocht B/T ervan uitgaan dat de stopzetting door of namens belanghebbende werd gedaan. De Commissie ziet hierin geen aanknopingspunten voor vooringenomen handelen door B/T.

Over de andere twee verlagingen constateert de Commissie aan de hand van de tijdlijn dat de KOT bij beschikking van 14 juni 2012 is verlaagd van € 2.210,- naar €1.761,-omdat het aantal uren opvang per kind van 149 naar 114 uur per maand is gegaan. Het uurtarief is iets hoger geworden € 5,78 in plaats van € 5,55. In de definitieve beschikking van 1 mei 2013 is de KOT vervolgens vastgesteld op €1.742,- omdat het toetsingsinkomen is verhoogd van € 43.817,- naar € 48.568,-.

De Commissie leidt uit de KOI-viewer 2011 (productie 1211010, 1211011, 1211012 en 1211013) af dat de kinderen van belanghebbende in de maand januari 2011 opvang hebben genoten bij kinderopvanginstelling [naam] voor 114,52 uur per maand tegen een uurtarief van € 5,78.

B/T mocht op grond van deze informatie uit de KOI-viewer overgaan tot verlaging van de KOT van € 2.210,- naar € 1.761,- Uitgangspunt is dat in beginsel van de juistheid van de gegevens in KOI-viewer mag worden uitgegaan wanneer deze gegevens daarin zijn vermeld.

De Commissie ziet hierin geen aanknopingspunten voor vooringenomen handelen door B/T.

Ten slotte betoogt belanghebbende dat zij in ieder geval op grond van hardheid gecompenseerd zou moeten worden omdat uit het LIC-overzicht 2011 blijkt dat keihard is opgetreden met verrekeningen en een loonvordering, terwijl een persoonlijke betalingsregeling niet tot de mogelijkheden behoorde.

De Commissie ziet in het LIC-overzicht van 2011 grote en maandelijkse verrekeningsbedragen evenals maandelijkse loonvorderingen in 2014 en begin 2015.

Dat heeft ongetwijfeld een groot beslag gelegd op haar financiële situatie. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert echter geen compensatie op grond van hardheid op.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wetgever heeft de situatie van verrekening niet expliciet genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. In de memorie van toelichting staat hierover: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015

Voor dit jaar gaat UHT uit van vooringenomen handelen door B/T. Belanghebbende heeft echter alleen compensatie ontvangen voor de periode maart en april 2015 omdat volgens UHT in de overige maanden geen sprake was van geregistreerde opvang.

UHT wijst erop dat belanghebbende zelf de KOT heeft stopgezet op 9 juni 2016 per 1 maart 2015 (productie 1215005).

Belanghebbende stelt dat de stopzetting een ambtshalve stopzetting betreft, die samenhangt met het vooringenomen handelen van B/T.

Zonder uitvraag bij belanghebbende kan niet worden geconcludeerd dat in de overige maanden van 2015 geen sprake is geweest van geregistreerde opvang. Zij wijst erop dat zij het hele jaar 2015 arbeid in loondienst heeft verricht zodat zij behoefte had aan opvang en dit ook daadwerkelijk heeft afgenomen. Uit het LIC-overzicht blijkt dat de KOT over 2015 niet werd uitbetaald omdat deze werd verrekend met de terugvorderingen van de KOT over de jaren 2010 en 2011. Het is duidelijk dat de kinderen daardoor op enig moment zijn geweigerd door de kinderopvanginstelling omdat de opvang niet meer betaald werd.

Het volledige jaar waarin belanghebbende door toedoen van B/T in de problemen is gebracht, dient dan ook vergoed te worden. In component a voor 2015 zou daarom een bedrag van € 17.567,- moeten staan.

De Commissie overweegt als volgt.

Met belanghebbende stelt de Commissie vast dat de stopzetting op 9 juni 2016 per 1 maart 2015 (productie 1215005) een ambtshalve stopzetting door B/T betreft. Deze stopzetting kan dus niet aan belanghebbende worden tegengeworpen. Stopzetting door belanghebbende zou ook geheel in tegenspraak zijn met de -hierna genoemde-informatie uit de KOI-viewer.

Uit de KOI-viewer (productie 1215009) blijkt enkel van opvang voor [naam] en [naam] bij de kinderopvanginstelling in de maanden maart en april 2015.

UHT kent op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht op aanvraag compensatie toe als aan de voorwaarden in dat lid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie dat evident geen recht op KOT is, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

In het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT staat in dit kader vermeld:

Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.”

Volgens de Commissie heeft UHT niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Dat in de KOI-viewer geen gegevens voorkomen voor de overige maanden van toeslagjaar 2015 is onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende in die resterende maanden geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Derhalve kan niet worden gesteld dat er evident geen recht op KOT bestond. Van de juistheid van de gegevens in KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen. De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat in de overige maanden van toeslagjaar 2015 geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden.

Uit het verhaal van belanghebbende volgt dat zij op enig moment in 2015 geen gebruik meer maakte van geregistreerde opvang, omdat zij dat niet meer kon betalen. Ze vertelde dat ze geen KOT meer ontving, omdat de KOT werd verrekend. Zij kon haar kinderen toen niet meer naar een officiële opvang brengen, maar ze was genoodzaakt om ze bij iemand thuis op te laten vangen.

Het is onduidelijk vanaf wanneer dit is geweest. In de tijdlijn is bij de datum 11 mei 2016 geen informatie te zien per wanneer belanghebbende zou hebben stopgezet.

Bij de data 21 juni 2016 en 8 juli 2016 is vermeld dat de kinderen slechts een maand naar de opvang zouden zijn geweest, maar dat spoort weer niet met de KOI gegevens over maart en april 2015. Bovendien stelt belanghebbende in bezwaar dat zij ook de resterende maanden geregistreerde opvang heeft afgenomen, wijzend op haar arbeid in 2015.

Gelet op de op B/T rustende bewijslast in deze situatie, adviseert de Commissie UHT om alsnog compensatie toe te kennen uitgaande van een bedrag van €17.567,- zoals dat bij voorschotbeschikking van 21 april 2015 vanaf 1 maart 2015 is berekend.

Toeslagjaar 2016

Voor toeslagjaar 2016 is de KOT verlaagd, van € 22.109 naar € 0,- bij beschikking van 21 juni 2016. De reden hiervan is volgens UHT de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 11 mei 2016 per 1 januari 2016 (productie 2700019). Dit betreft daarom geen vooringenomen handeling. Evenmin is sprake van hardheid. Wel is een O/GS tegemoetkoming toegekend.

Belanghebbende betoogt dat het erop lijkt dat de stopzetting over het jaar 2016 tegelijk met het jaar 2015 is doorgevoerd door B/T, zij verwijst naar de tijdlijn en de melding op 9 juni 2016. Verder wijst zij op het ontbreken van stukken over dit jaar in het ouderdossier, en op het feit dat zij het hele jaar heeft gewerkt en dus opvang nodig had en ook heeft afgenomen. Ook voor dit jaar is sprake van rigoureuze invordering middels verrekening waardoor een vergoeding vanuit de hardheidsregeling in ieder geval gerechtvaardigd is.

De Commissie stelt vast dat de stopzetting van de KOT 2016 blijkt uit productie 2700019, met als aanhef: XML bestand betreffende stopzetten KOT op verzoek van ouder. In het bestand staat dat het gaat om een stopzetting via het kantoorportaal, door een behandelaar van B/T, met als toelichting: “Burger heeft telefonisch aangegeven KOT 2016 te willen stoppen”.

De Commissie stelt ook vast dat in de tijdlijn bij de meldingen van 11 mei 2016 staat: “Tevens geeft zij aan KOT 2016 te willen stoppen.” En “Burger heeft telefonisch aangegeven KOT 2016 te willen stoppen”. Uit deze meldingen blijkt ook dat belanghebbende de KOT 2015 niet ontvangt, omdat deze wordt verrekend met KOT 2010.

De Commissie ziet geen aanknopingspunten dat net als voor toeslagjaar 2015 sprake is van een ambtshalve stopzetting door B/T.

Voor zover belanghebbende betoogt dat zij de KOT voor toeslagjaar 2016 heeft stopgezet naar aanleiding van het vooringenomen handelen door B/T over de toeslagjaren 2010 of 2015 overweegt de Commissie dat belanghebbende dit kan inbrengen in de procedure bij CWS.

Ten aanzien van de verrekening wijst de Commissie op hetgeen hierover ten aanzien van toeslagjaar 2011 is overwogen.

Voor aanvullende compensatie naar CWS

Belanghebbende betoogt dat de toegekende compensatie niet haar werkelijke schade dekt en in ieder geval haar immateriële schade veel groter is.

De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) of de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH) bestemd. Gebleken is dat belanghebbende inmiddels een procedure is gestart bij CWS.

Proceskostenvergoeding

Nu de primaire besluiten dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Naar het oordeel van de Commissie is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de herziene compensatieberekening in het voordeel van belanghebbende aan te passen conform de beschouwing van 10 december 2024 en voor zover dit in het voordeel van belanghebbende is; conform de aanvullende beschouwing van 11 juni 2025;
  • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf 24 december 2010 tot aan de beslissing op bezwaar;
  • daarnaast voor toeslagjaar 2015 onder component a uit te gaan van het bedrag van € 17.567,- en de samenhangende componenten aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter