BAC 2023-14459
Publicatiedatum 28-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 augustus 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 15 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 31 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 32.340 voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2007, 2010, 2012, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2012.
- UHT heeft bij beschikking 23 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 (Catshuisregeling).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005 tot en met 2007 en 2010, 2012, 2018 en 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Voor het toeslagjaar 2008 is, volgens het advies van CvW, de compensatieregeling van toepassing en voor het jaar 2009 de hardheidsregeling.
- UHT heeft bij vooraankondiging op 17 augustus 2023 met het kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €32.327.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH van 25 augustus 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €32.340 voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2007, 2010, 2012, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 september 2023, ingekomen op 2 oktober 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 25 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 15 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 mei 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 15 juli 2025 en op 28 augustus 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Afschrift van het persoonlijk dossier
Deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen de bestreden beschikking. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier maakt geen deel uit van deze beschikking zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan adviseren. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Motiveringen van de beschikking ten aanzien van de toeslagjaren 2008 en 2009.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit bij het uitbrengen van de beschikking voldoende heeft toegelicht en dat zij het besluit door middel van de ter beschikking stelling van het bezwaardossier en het indienen van een schriftelijke reactie op het bezwaarschrift voldoende heeft onderbouwd. Het bezwaardossier biedt belanghebbende een goed beeld van de ontwikkeling van haar dossier in de toeslagjaren waarop het bestreden besluit ziet, het onderzoek dat UHT heeft verricht en de wijze waarop zij tot het besluit tot toekenning van compensatie over de toeslagjaren 2008 en 2009, en de daarbij behorende compensatieberekening, is gekomen. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en zij daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Zoals hiervoor, bij de bespreking van de motivering van het bestreden besluit, aan de orde kwam, hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Automatische continuering
Belanghebbende stelt dat de wijze waarop de Belastingdienst (hierna: B/T) is omgegaan met de automatische continuatie van de KOT onzorgvuldig is. Zij stelt daarbij dat onvoldoende waarborgen in het systeem zijn ingebouwd, waardoor betalingsproblemen hebben kunnen ontstaan bij terugvorderingen over eerdere toeslagjaren.
De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoer gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
2012
Tussen belanghebbende en UHT staat vast dat belanghebbende telefonisch KOT heeft aangevraagd bij B/T en dat zij kinderopvang heeft genoten. Belanghebbende heeft geen KOT ontvangen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het aanvraagformulier KOT, dat B/T aan haar zou hebben toegestuurd, niet heeft ontvangen. Ook andere verzoeken om informatie over de kinderopvang van haar kinderen in 2012 zegt belanghebbende niet te hebben ontvangen.
Uit art. 2.2 onder a van de Wht volgt dat compensatie wordt toegekend vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of de hardheid van het stelsel. De Commissie stelt vast dat in het geval van belanghebbende geen beschikkingen zijn genomen die tot de afwijzing of wijziging van KOT hebben geleid. Reden waarom de Commissie UHT adviseert het beroep op dit punt ongegrond te verklaren.
Immateriële schadevergoeding voor de jaren 2008 en 2009
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T. Naar de opvatting van de Commissie wordt dit beleid ook in het geval van belanghebbende gevolgd. Bij de berekening van de compensatie hanteert UHT, ten voordele van belanghebbende, namelijk de datum 10 december 2009 als aanvangsdatum.
De Commissie zal UHT daarom adviseren het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Extra compensatie 1% over compensatie voor de jaren 2008 en 2009
Nu de compensatieberekening in stand kan blijven, adviseert de Commissie UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
2018
UHT heeft ter zitting aangekondigd dat zij naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende heeft besloten belanghebbende voor het jaar 2018 alsnog te zullen compenseren. Tegen de ze achtergrond zal de Commissie het bezwaar van belanghebbende (gedeeltelijk) gegrond verklaren.
Ten aanzien van het jaar 2018 overweegt de Commissie verder het volgende. Bij haar schriftelijke beschouwing heeft UHT haar beslissing tot compensatie van het toeslagjaar 2018 toegelicht. Belanghebbende stelt dat UHT onderdeel a van de compensatieberekening voor het jaar 2018 ten onrechte heeft vastgesteld op €5.216. Belanghebbende wijst erop dat de laatste beschikking KOT voor de nihilstelling van 7 juni 2019, dateert van 8 februari 2019. Bij de beschikking van 8 februari 2019 werd de KOT op € 7.528 gesteld. Belanghebbende kan zich de aan dat besluit ten grondslag liggende wijziging niet herinneren. Zij meent dat component a van de compensatieberekening daarom in lijn dient te worden gebracht met de hoogte van de voorschotbeschikking van 21 februari 2019, te weten € 12.907.
Uit art. 2.3 lid 1 Wht volgt dat de compensatie voor de aanvrager van KOT wordt berekend op grond van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd met een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente of alsnog toegekende KOT of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft, maar niet verder dan tot nihil. Ingeval van belanghebbende heeft UHT terecht berekend welk bedrag belanghebbende als gevolg van de beschikking niet is toegekend. Uit het bezwaardossier kan immers niet worden afgeleid dat over het toeslagjaar 2018 KOT is teruggevorderd. De Commissie UHT adviseert het beroep van belanghebbende op dit punt af te wijzen.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en:
- aan belanghebbende een compensatie toe te kennen voor het jaar 2018, zoals berekend in de compensatieberekening d.d. 28 mei 2025,
- het verzoek om een proceskostenvergoeding toe wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter