BAC 2023-14440
Publicatiedatum 01-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 24 juli 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 25 september 2025
Overdracht advies aan UHT: 18 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 tot en met 2019. Dit verzoek is in overleg met belanghebbende beperkt tot de jaren 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 10 augustus 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en dat de integrale beoordeling in gang wordt gezet.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 26 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 augustus 2023, ingekomen op 4 september 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 3 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 25 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend en op 4 november 2025 de bijbehorende gelakte productie aangeleverd. Gemachtigde heeft daar op 10 november 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Persoonlijk dossier/onvolledig dossier/Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking heeft gekregen over haar persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de LIC-overzichten en het informatie- en beoordelingsformulier, zijn op 26 mei 2025 aan gemachtigde gezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie wegens hardheid. Zij voert daartoe aan dat B/T bij de verrekening van de terugvorderingen met de huurtoeslag en de zorgtoeslag van belanghebbende geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. UHT heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Rechtsvordering. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot uitbreiding van de beslagvrije voet is dat een bewuste keuze geweest die vooral is gelegen in het feit dat de KOT in zijn aard wezenlijk verschilt van de overige toeslagen. De KOT is namelijk juist gericht op de bevordering van arbeidsparticipatie, terwijl de overige toeslagen (huur- en zorgtoeslag, kind gebonden budget) een duidelijk inkomensondersteunend karakter hebben. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen van belanghebbende, valt buiten de reikwijdte van het begrip vooringenomen handelen. De Commissie is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Automatische continuering van KOT
Belanghebbende betoogt dat de bepaling van haar KOT op de basis van automatische continuering als onzorgvuldig moet worden beschouwd. Volgens belanghebbende mocht van B/T worden verwacht dat extra waarborgen worden ingebouwd om liquiditeitsproblematiek wegens terugbetalingen en latere verrekeningen van eerder toegekende KOT te voorkomen. De Commissie overweegt als volgt.
De Commissie betreurt dat de inrichting van het toeslagensysteem als zodanig voor vervelende ervaringen heeft gezorgd aan de zijde van belanghebbende. In deze bezwaarprocedure wordt echter uitsluitend getoetst of belanghebbende recht heeft op compensatie op basis van de Wht. De onderhavige bezwaarprocedure ziet niet op de toetsing van de wijze waarop het toeslagensysteem is ingericht. Het bezwaar kan daarom op dit punt niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. Meer specifiek stelt belanghebbende dat zij minder uren aan kinderopvang heeft toegekend gekregen dan waar zij recht op had. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatieopzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2017
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over het toeslagjaar 2017. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie van KOT over dit toeslagjaar was veroorzaakt door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat de door belanghebbende doorgegeven informatie overeenkomt met de gegevens uit de KOI-viewer (p.265). Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De
Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2018
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over het toeslagjaar 2018 omdat sprake is van vooringenomen handelen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij de KOT niet zelf heeft stopgezet en dat over geheel 2018 sprake is geweest van afname van geregistreerde kinderopvang. De Commissie oordeelt als volgt. Uit het dossier blijkt dat belanghebbende op 18 februari 2018 de KOT heeft stopgezet.
Deze stopzetting heeft geresulteerd in de eerste neerwaartse correctie. De tweede neerwaartse correctie was het gevolg van door belanghebbende zelf doorgegeven informatie in het kader van haar herzieningsverzoek. De Commissie overweegt dat deze wijzigingen als regulier zijn aan te merken. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2019
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over het toeslagjaar 2019. De Commissie oordeelt als volgt. Over het toeslagjaar 2019 is sprake van vier neerwaartse wijzigingen in de KOT. Op 21 februari 2019 werd de KOT op nihil beschikt naar aanleiding van een stopzetting door belanghebbende zelf. De tweede neerwaartse correctie is van 21 juni 2019 en was gelegen in door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren en een veranderd uurtarief. De derde neerwaartse wijziging dateert van 22 oktober 2019 en was gelegen in belanghebbende zelf doorgegeven informatie waaruit blijkt dat na 30 juni 2019 geen sprake meer was van afname van geregistreerde kinderopvang. Deze neerwaartse wijzigingen zijn naar het oordeel van de Commissie als regulier aan te merken. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Voor wat betreft de vierde neerwaartse wijziging geldt dat deze dateert van 5 juni 2020 en bovendien geen causaal verband heeft met beslissingen van vóór deze datum. De (her)beoordeling van deze neerwaartse correctie van 5 juni 2020 valt daarom buiten de reikwijdte van de Wht. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter