BAC 2023-14423
Publicatiedatum 28-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 juni 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 15 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 4 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 21 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.
De beschikking van 21 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende voor de jaren 2011 en 2014 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) geen fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) dan wel de regels te streng heeft toegepast.
Procesverloop
- Op 22 maart 2021 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling. De herbeoordeling van UHT ziet op de jaren 2011 en 2014.
- Bij beschikking van 17 december 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets vooralsnog niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- Op 27 januari 2022 heeft gemachtigde namens belanghebbende tegen bovenstaand besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Op 31 mei 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2008 tot en met 2014, noch dat er reden is voor toekenning van de hardheidscompensatie.
- Bij beschikking van 21 juni 2023 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende voor de jaren 2011 en 2014 niet in aanmerking komt voor compensatie.
- Op 1 augustus 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een pro forma bezwaarschrift ingediend.
- Op 7 december 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden ingediend.
- Op 31 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 15 juli 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Afgewezen toeslagjaren 2011 en 2014
Uit het bezwaardossier volgt dat in toeslagjaar 2011 de KOT is gecorrigeerd naar aanleiding van de door de kinderopvanginstelling aangeleverde informatie. In toeslagjaar 2014 is de KOT neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van de door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT per 20 april 2014.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011 en 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststellingen dat er te hoge voorschotten waren toegekend. Deze voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft ook in de stelling van gemachtigde dat er € 15.000 bij belanghebbende is teruggevorderd en dat belanghebbende niet het eigen beheer over haar bankrekening had, geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Temeer nu bovenstaande stellingen niet uit het bezwaardossier volgen of anderszins met stukken zijn onderbouwd. Daarbij merkt de Commissie volledigheidshalve op dat B/T in beginsel mag uit gaan van de gegevens uit de KOI-viewer, zoals in toeslagjaar 2011 is gebeurd. Er zijn, in het geval van belanghebbende, geen aanwijzingen om te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens. De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de toeslagen voor belanghebbende niet makkelijk zal zijn geweest, maar haar situatie houdt, anders dan gemachtigde stelt, geen verband met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen.
Niet-herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom niet alle toeslagjaren waarin KOT is aangevraagd, zijn meegenomen in de herbeoordeling.
Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde, betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin B/T een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.
Uit het bezwaardossier volgt niet dat belanghebbende de aanvraag om compensatie heeft beperkt tot de jaren 2011 en 2014. De Commissie wijst op de telefoonnotitie van de aanvraag en op het informatie- en beoordelingsformulier van UHT waaruit blijkt dat belanghebbende heeft verzocht om de jaren 2003 tot en met 2014 mee te nemen in de herbeoordeling. Ter zitting is besproken dat belanghebbende in de jaren 2008 tot en met 2014 KOT heeft aangevraagd, althans dat B/T over deze jaren een beschikking heeft genomen. UHT had daarom de jaren 2008 tot en met 2010 en de jaren 2012 en 2013 óók in de herbeoordeling moeten betrekken. Gelet op het verbod van getrapte besluitvorming in bezwaar zal de Commissie UHT adviseren de herbeoordeling voor de bovenstaande jaren in de beschikking op bezwaar neer te leggen. Als deze herbeoordeling ertoe leidt dat belanghebbende alsnog als gedupeerde wordt aangemerkt, gaat de Commissie ervan uit dat UHT hierin aanleiding ziet het bestreden besluit te herroepen en een proceskostenvergoeding toe te kennen. De Commissie houdt onderstaande bezwaarprocedure niet aan. De Commissie geeft UHT in overweging dat UHT belanghebbende door middel van een schriftelijke vooraankondiging, voorafgaande aan het nemen van het besluit op bezwaar, over de uitkomst van de herbeoordeling informeert en daarop een reactie van belanghebbende vraagt.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, wordt er niet geadviseerd een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 21 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter