Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14416

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 augustus 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 16 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 2 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2010 en de maanden juni tot en met december 2011 en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 en 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2012. Dit is in afstemming met belanghebbende beperkt tot de jaren 2010 en 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 18 februari 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 en 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 september 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 29 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 16 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 april 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 21 mei 2025 op gereageerd. UHT heeft daar op 22 mei 2025 nog op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaren 2010 en 2011

Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte geen compensatie heeft ontvangen voor deze jaren. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft vooringenomen gehandeld en zij heeft (gevolg)schade geleden door het handelen van B/T.

De Commissie stelt vast dat niet in geschil is dat B/T vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011. Volgens UHT heeft zij desondanks geen recht op compensatie omdat zij geen recht op KOT had over deze jaren. Haar kinderen waren niet bekend bij de kinderopvanginstellingen waar belanghebbende KOT voor had aangevraagd en de jaaropgave die zij heeft overgelegd over 2011 was afkomstig van een andere kinderopvangorganisatie die in 2011 nog niet was ingeschreven bij het Landelijk Register Kinderopvang (LRK).

Op de hoorzitting en in de aanvullende beschouwing gedateerd 28 april 2025 is UHT hierop deels teruggekomen. UHT vindt dat belanghebbende alsnog compensatie toekomt over 2010 en over de maanden juni tot en met december 2011.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

Belanghebbende betoogt dat zij ook over de maanden januari tot en met mei 2011 in aanmerking komt voor compensatie. Zij voert daartoe aan dat zij recht heeft op compensatie volgens de hardheidsregeling omdat B/T haar niet tijdig heeft geïnformeerd over het ontbreken van een geldig LRK-nummer. Zij verwijst naar een bijlage, de beoordeling in een andere zaak, waarin staat:

Hardheidsregeling

BD/T heeft uw kinderopvangtoeslag verlaagd wegens het ontbreken van een geldig LRK-nummer. Dit was niet uw schuld. U bent hierover niet op tijd geïnformeerd. Daarom hebt u recht op compensatie volgens de hardheidsregeling tot het moment dat wij u hierover hebben geïnformeerd.”

UHT stelt zich op het standpunt dat voor de periode januari tot en met mei 2011 geen LRK-registratie bestond voor de kinderopvanginstelling. Daarom blijft voor deze periode de conclusie dat er geen recht op compensatie bestaat. UHT licht toe dat de kinderopvanginstelling een andere kinderopvanginstelling, op een ander adres, betreft dan waar belanghebbende daarvoor gebruik van maakte. Nu de opvang in 2011 op een ander adres en onder een andere organisatie heeft plaatsgevonden, had een wijziging doorgegeven moeten worden door belanghebbende. Tevens had in die wijziging het LRK-nummer van de nieuwe organisatie doorgegeven moeten worden, anders zou de wijziging niet worden goedgekeurd. De kinderopvanginstelling beschikt pas sinds 27 juni 2011 over een LRK-registratie; in de periode daarvoor bestond geen recht op KOT. Belanghebbende had dienen te onderzoeken of de organisatie over een LRK-registratie beschikt. Dat zij dit niet heeft gedaan, is een schending van de onderzoeksplicht en een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende is toe te rekenen.

Het voorbeeld dat belanghebbende aanhaalt, is niet van toepassing in haar geval. Er bestaat alleen recht op compensatie voor hardheid als de organisatie eerst wel over een LRK-nummer beschikte, maar tijdens de opvangperiode niet meer.

De Commissie meent dat belanghebbende in de periode januari tot en met mei 2011 niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van hardheid, zoals zij betoogt.

Bij het afsluiten van een opvangovereenkomst mag van de ouder worden verwacht dat deze onderzoek doet in het LRK of bij de kinderopvangorganisatie navraagt of deze is ingeschreven in dat register. Bij zowel een elektronische als schriftelijke aanvraag voor KOT moet de ouder het LRK-nummer ook invoeren.

UHT hanteert als beleid (Handboek Integrale Boordeling – Vaktechniek versie 3.14, paragraaf 3.1.10 Wijziging in LRK-registratie KOI) dat als de registratie op enig moment komt te vervallen, dit enkel aan de ouder kan worden tegengeworpen vanaf het moment dat de ouder nadrukkelijk bekend is geworden met het vervallen van de registratie.

Belanghebbende beroept zich op deze laatste situatie, maar van het vervallen van de LRK-registratie is geen sprake. Aangezien, zoals hiervoor als opvatting van de Commissie vermeld, van belanghebbende bij aanvang van de opvang bij de kinderopvanginstelling onderzoek naar de LRK-registratie verwacht had mogen worden, maar zij dat kennelijk niet heeft gedaan, is dit bezwaarpunt ongegrond.

Hardheid van het stelsel en beslagvrije voet

Belanghebbende stelt dat UHT over de toeslagjaren 2010 en 2011 geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl de gegevens hierover wel bij B/T voorhanden waren. Er is volgens belanghebbende daarom sprake van hardheid.

UHT stelt zich op het standpunt dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op KOT omdat KOT niet wordt beschouwd als inkomensondersteuning, maar is bedoeld als bevordering van de arbeidsparticipatie.

De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij terugvorderingen valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure.

Herbeoordeling jaren 2005 tot en met 2009 en 2012

Belanghebbende betoogt dat ook de toeslagjaren 2005 tot en met 2009 en 2012 opnieuw beoordeeld zouden moeten worden omdat zij ook in die jaren gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Zij meent dat zij ook voor deze jaren in aanmerking komt voor compensatie. Het verzoek om herbeoordeling ziet naar haar mening op alle jaren waarin zij KOT heeft aangevraagd.

De Commissie deelt dit uitgangspunt; een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde heeft betrekking op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende zag op toeslagjaren 2005 tot en met 2012. Uit het Informatie- en beoordelingsformulier (pagina 18) leidt de Commissie af dat dit in afstemming met belanghebbende is beperkt tot de jaren 2010 en 2011 omdat volgens de systemen alleen in 2010 en 2011 sprake was van KOT. In de beschouwing stelt UHT zich op het standpunt dat over de overige jaren geen sprake is geweest van KOT-beschikkingen onder verwijzing naar het SAS-overzicht (pagina 77). De Commissie stelt vast dat dit niet wordt betwist. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de toeslagjaren 2005 tot en met 2009 en 2012 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen.

Automatische continuering

Het gegeven dat de KOT voor het volgende (toeslag)jaar automatisch is gecontinueerd, maakt naar het oordeel van de Commissie niet dat er op deze grond sprake is van institutioneel vooringenomen handelen.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn toegezonden, waaronder de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) en het Informatie- en beoordelingsformulier, inclusief de tijdlijn. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.

Nu de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn toegezonden is van een motiveringsgebrek zoals belanghebbende betoogt naar de Commissie meent voorts geen sprake. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, en om:

  • alsnog compensatie toe te kennen over toeslagjaar 2010 en de maanden juni tot en met december 2011;
  • een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor 2 voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter